Bovens en Wille stellen in hun artikel op socialevraagstukken.nl terecht dat de toename van het aantal middelbaar en hoger opgeleiden, en de navenante afname van het aantal lager opgeleiden een majeure maatschappelijke ontwikkeling is. Maar met welke consequenties? Is hier sprake van ‘een kloof die dieper gaat dan de oude links-rechts-scheiding’ zoals zij in de Volkskrant van 13 december 2025 beweerden? En neemt die kloof toe?
Wijsheid genegeerd
Voor beide claims is weinig bewijs. Die wijsheid heb ik niet van mijzelf, maar van collega-sociologen als Jochem Tolsma. Tien jaar geleden trok hij in reactie op het door Bovens en Wille geschreven boek Diplomademocratie al de volgende conclusie: ‘[N]iet alleen zijn verschillen tussen opleidingsgroepen van alle tijden, het is tevens niet waarschijnlijk dat de scheidslijn tussen hoger en lager opgeleiden aan belang zal winnen. De stratificatie en segregatie nemen niet toe. Veel waarschijnlijker is het dat de opleidingsscheidslijn aan belang zal inboeten.’
Bovens en Wille blijven volhouden dat de opleidingskloof dieper wordt
In 2023 dacht Tolsma, in zijn oratie als bijzonder hoogleraar op gebied van sociale scheidslijnen, er niet wezenlijk anders over: ‘[N]u heerst het beeld dat sociale scheidslijnen in Nederland aan het toenemen zijn. Daar geloof ik geen snars van.’ En hij concludeert: ‘Overtuigend bewijs dat er sprake is van toenemende polarisatie is er simpelweg nog niet.’
In de hernieuwde editie van Diplomademocratie wordt het werk van Tolsma en collega’s volledig genegeerd. Bovens en Wille blijven volhouden dat de opleidingskloof dieper wordt. Dat komt volgens hen vooral door het gedrag van de hoger opgeleiden: zij trouwen onder elkaar, gaan bij elkaar in de buurt wonen en in de politiek -waar zij sterk vertegenwoordigd zijn- dienen zij vooral hun eigen belang.
De kans van hoger opgeleiden om andere hoger opgeleiden tegen te komen is in de afgelopen decennia vertienvoudigd. Maar impliceert dit dat hoger opgeleiden zich met opzet van anderen onderscheiden of zelfs op mensen met een lagere opleiding neerkijken, zoals Bovens en Wille suggereren? Zie voor een kritiek op die gedachte ook het artikel van Will Tiemeijer op socialevraagstukken.nl. En nog belangrijker: dat de opleidingsstrategie in haar geheel toeneemt?
Rare gedachtesprong
Bovens en Wille lijken intenties aan hoger opgeleiden toe te schrijven die primair voortkomen uit hun numerieke toename. Voor alle sociale relaties geldt dat de grootste groep meer met elkaar verkeert dan de kleine(re) groep, die meer vermengd zal zijn - namelijk met de grootste groep. Dat is ook precies wat er met lager- en hoger opgeleiden gebeurde, zo laat CBS-onderzoek zien.
Waar voorheen de hoger opgeleiden sterker mengden - alleen al omdat ze met minder waren - daar is het nu de kleinere groep van lager opgeleiden die meer mengt. Om precies te zijn: de lager opgeleiden waren in 2009 nog de meest gescheiden groep terwijl ze in 2020 al minder gescheiden zijn dan hoger opgeleiden. De laatsten verkeren door hun aantal wel meer onder elkaar, maar op bescheiden wijze. Vriendschapsnetwerken zijn niet zo homogeen als gesuggereerd. Overall leidt dit zelfs tot een daling in opleidingssegregatie in Nederland tussen 2009 en 2020, iets waarvoor Bovens en Wille geen oog hebben.
Opleiding geeft echter geen sterke collectieve identiteit
Bovens en Wille maken een rare gedachtesprong: waar het statistisch begrijpelijk en voorspelbaar is dat hoger opgeleiden sterk(er) onder elkaar verkeren, lezen zij hierin bewuste strategieën om anderen te ontlopen. Zij menen zelfs dat de aard en de mate van de huidige opleidingssegregatie lijken op de verzuiling van de vorige eeuw.
Ware geloof
Ik heb eerder betoogd dat wie dat beweert geen idee heeft van de alomvattende segregatie en interne disciplinering van de zuilen die gebaseerd waren op een sterk identitair karakte. Iedere zuil meende het ware geloof te hebben en anderen moesten te vuur en te zwaard worden bestreden. Opleiding geeft echter geen sterke collectieve identiteit. Het onderscheid is eerder gradueel.
Daarmee relativeer ik niet dat opleidingsverschillen nog steeds correleren met onder andere inkomen, huisvesting en gezondheid, maar die verbanden groeien niet. Het effect van opleiding op beroepsstatus is zelfs afgenomen. En in weinig landen heeft een hogere opleiding zo weinig effect op het verdiende inkomen als in Nederland.
Ook hoger opgeleiden vinden ongelijke behandeling op basis van opleiding niet of nauwelijks te rechtvaardigen
Natuurlijk moeten we aan resterende verschillen hard werken - denk bijvoorbeeld aan de gezondheidsverschillen tussen mensen met uiteenlopende opleidingsniveaus- maar het goede nieuws is dat iedereen het daarmee eens is. Ook hoger opgeleiden vinden tegenwoordig dat ongelijke behandeling op basis van opleiding niet of nauwelijks te rechtvaardigen is.
Verandering gemist
We verdragen verschillen steeds minder; welhaast iedereen maakt zich er steeds drukker over. Dat we ons nu veel zorgen maken over verschillen betekent niet dat ze objectief zijn toegenomen. Net zoals bij veel andere vormen van ongelijkheid in Nederland, neemt de ongelijkheid in objectieve zin niet toe terwijl we er ons, subjectief, steeds bozer over maken.
Bovens en Wille zien de impact van de populistische revolte over het hoofd
Dit ontgaat Bovens en Wille. Zij hebben geen sociologisch oog voor de veranderingen in de verhouding tussen lager en hoger opgeleiden. Denken zij werkelijk dat de hoger opgeleiden zich nu even superieur opstellen als in het verleden, zoals bijvoorbeeld tijdens de verzuiling toen de elites binnen de zuilen de dienst uitmaakten? Bovens en Wille zien de impact van de populistische revolte over het hoofd: terwijl de groepen in grootte zijn veranderd - waarbij die van de hoger opgeleiden is gegroeid - zijn de machtsverhoudingen ten gunste van de lager- en middelbaar opgeleiden veranderd.
De gevolgen van verschillen in opleiding worden steeds minder geaccepteerd. Dit aspect, waarin de emoties over de kloof centraal staan, missen Bovens en Wille volledig in hun reactie op mijn boek. Ze doen de aardverschuiving in de sociale verhoudingen tussen de groepen in de Volkskrant af als ‘symbolische herwaardering.’ Daarmee miskennen zij precies dat gebeurt waar zij voor pleiten. Waar hoogopgeleiden voorheen vanzelfsprekend gezag genoten, staan elites – en dan met name de culturele en intellectuele elites - nu in de beklaagdenbank en worden zij gedwongen tot zelfreflectie. Zoals Menno Hurenkamp en ik hebben geanalyseerd in De macht van de gewoonte is de gewone man al lang de norm in de politiek geworden, van rechts tot links.
Vertekend beeld
De populistische revolte is in die zin heel effectief geweest: hoger opgeleiden durven zichzelf niet meer als hoger te zien. De verandering van lager en hoger opgeleiden in praktisch en theoretisch geschoolden is dus niet een betekenisloze symbolische daad; deze belangrijke semantische verschuiving markeert nieuwe verhoudingen.
Elites hebben niet alleen geen goede naam meer, maar ze weten zich ook amper effectief tegen alle verwijten te verdedigen
Het betekent misschien nog niet het einde van de meritocratie, maar wel tegen veel verwachtingen in een behoorlijke relativering van dat idee. Of preciezer: wat als verdienste wordt beschouwd, is dramatisch veranderd in de afgelopen 25 jaar. Je kunt maar beter praktisch geschoold zijn dan die wereldvreemde, theoretisch geschoolde, die de werkelijkheid nauwelijks kent.
Elites hebben niet alleen geen goede naam meer, maar ze weten zich ook amper effectief tegen alle verwijten te verdedigen -omdat ze net als alle andere Nederlanders diep overtuigd zijn van de waarde van gelijkheid. Ze schamen zich als ze lager opgeleiden onheus zouden hebben bejegend. Voormalig minister Robbert Dijkgraaf zag het als een van zijn belangrijkste verdiensten dat de verhoudingen tussen opleidingen niet langer hiërarchisch zijn, maar nevengeschikt. Als geen ander bekommerde hij zich om het mbo.
Bovens en Wille hebben niet alleen een vertekend beeld van de sociale verhoudingen, ook hun stelling dat lager opgeleiden politiek niet worden gehoord, is merkwaardig. Als er één groep is die anno heden overal aan het woord komt, is het de groep van lager opgeleiden, de gewone man waarover beweerd wordt dat hij vroeger niks mocht zeggen door de dominante politieke correctheid. Wel, die correcte tijden liggen ver achter ons en de media doen hun uiterste best om juist gewone-mensen-meningen in hun programma’s te krijgen en politieke partijen zijn gevoelig voor de kritiek dat zij te weinig naar lager opgeleiden luisteren.
Bovens en Wille menen dat lager opgeleiden op twee manieren politiek tekort wordt gedaan. Ze zijn ondervertegenwoordigd in het parlement en hun standpunten vinden veel minder gehoor dan die van hoger opgeleiden, die hun belang beter weten te representeren en te vertalen in beleid.
Opleiding en representativiteit
In mijn boek Spookkloven heb ik laten zien dat de relevantie van een hogere opleiding om Kamerlid te worden de afgelopen decennia niet is toegenomen maar juist scherp is gedaald. In 1950 was er pas echt sprake van een diplomademocratie toen hoger opgeleiden met zeker een factor tien oververtegenwoordigd waren terwijl dat nu nog maar een factor twee is.
Maar er is opleidingsverschil wel het grootste probleem voor de representativiteit en he functioneren van het parlement?
Bovens en Wille stellen in het antwoord dat het hun niet om een relatieve oververtegenwoordiging te doen was, maar om een absolute: nu is 80 procent van de Kamerleden hoogopgeleid en voelen lager opgeleiden zich in het nauw gedrongen. Ik was verrast door deze stellingname, ook al omdat zijzelf in publicaties spreken over het probleem van oververtegenwoordiging, wat nu juist een relatieve maat is. Natuurlijk moeten we óók kijken naar de absolute cijfers, waaruit spreekt dat het leeuwendeel van de Kamerleden hoger opgeleid is.
Bovens en Wille noemen het terecht betreurenswaardig dat de Kamer voornamelijk bestaat uit hoger opgeleiden, diversiteit in het parlement is gewenst. Maar is opleidingsverschil wel het grootste probleem voor de representativiteit en het functioneren van het parlement?
Betekent een sterke vertegenwoordiging van hoger opgeleiden ook dat zij hun belangen beter over het voetlicht en in beleid vertaald krijgen en lager opgeleiden navenant minder? Deze stelling – die dus gaat over inhoudelijke representativiteit- bouwt voort op het proefschrift van Wouter Schakel die onder andere betoogt dat op het onderwerp migratie de voorkeur van hoger opgeleiden sterk het beleid kleurt evenals bij sociaaleconomische thema’s, waar voorbij zou worden gegaan aan de belangen van lager opgeleiden. Aangezien in Nederland politieke partijen uiteindelijk over het beleid beslissen, zou je verwachten dat hoger opgeleiden meer dan gemiddeld op partijen zouden stemmen die economische ongelijkheid in stand willen houden terwijl lager opgeleiden meer dan gemiddeld voor partijen zouden stemmen die sociaaleconomische ongelijkheid willen aanpakken. Dit is niet wat er de afgelopen decennia is gebeurd.
Wonderlijke verwijten
De meest opvallende verschuiving in politieke voorkeur is dat hoger opgeleiden overall meer op progressieve partijen zijn gaan stemmen, terwijl (een deel van) de lager opgeleiden juist naar (radicaal-) rechts uitzwenkt. Zij laten zich bij het bepalen van hun stemkeuze primair leiden door hun ideeën over migratie. Dat, terwijl veel hoger opgeleiden op linkse partijen stemmen die gericht zijn op verkleining van sociaaleconomische verschillen, zowel in inkomen als vermogen.
Of zijn de hoger opgeleiden ook verantwoordelijk voor het falen van het kabinet-Schoof?
Is het dan niet wonderlijk dat Bovens en Wille hoger opgeleiden verwijten niet op te komen voor lager opgeleiden en slechts hun eigen belang najagen? Overigens heeft de grotere steun van lager opgeleiden voor (radicaal-) rechtse partijen wel degelijk als effect dat het in de politiek onophoudelijk over migratie gaat en dat zowel het migratie- als integratiebeleid steeds stringenter is geworden. Of zijn de hoger opgeleiden ook verantwoordelijk voor het falen van het kabinet-Schoof dat nauwelijks tot wetgeving kwam?
Ik ben geen specialist op het terrein van opleidingskloven en behandel deze kloof, voortbouwend op het academische debat, als een van de vele kloven waar zich de opmerkelijke situatie voordoet dat terwijl de objectieve situatie niet of nauwelijks verandert, burgers en politici zich er wel druk over maken. Ik denk dat het -normatief gesproken- zeer te waarderen is dat zovelen zich -met Bovens en Wille- bekommeren om de mogelijke impact van de opleidingskloof. Die emoties bewijzen naar mijn idee overigens vooral dat de mentale afstand tussen de groepen kleiner is geworden, en zeker niet groter. En dat geeft hoop.
Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS-KNAW).
Foto: SLUB Dresden/Henrik Ahlers (Flickr Creative Commons)