‘Mensen die het goed hebben en theoretisch zijn opgeleid, zijn geneigd om neer te kijken op mensen die zich in een minder bevoorrechte positie bevinden. Dat is geen fraai beeld’, zei onlangs Karin van Oudenhoven, de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).
Dat klinkt inderdaad niet best… als het waar is.
Geen bewijs
Volkskrant-columnist Sander Schimmelpenninck schreef eerder al dat hij geen enkel bewijs kon vinden voor de stelling dat hoger opgeleiden zouden neerkijken op lager opgeleiden. Dan heeft hij niet goed gezocht, reageerden de Groningse onderzoeker Toon Kuppens en zijn collega’s. Dat onderzoek zou er wel degelijk zijn. ‘Steevast blijkt dat met name hoogopgeleiden zich méér verbonden voelen met hun opleidingsniveau dan lager opgeleiden.’
Ik ben de cijfers ingedoken en mijn conclusie: nee, het is niet waar
Omdat ik toevallig zelf ook hoger opgeleid ben, wilde ik wel eens weten hoe het werkelijk zit: hebben mensen zoals ik echt zulke negatieve gevoelens voor lager opgeleiden?
Ik ben de cijfers ingedoken en mijn conclusie: nee, het is niet waar. Natuurlijk zijn er voorbeelden te vinden van individuele hoger opgeleiden die lelijke dingen zeggen over lager opgeleiden, maar die zijn niet representatief voor de groep als geheel. Voor zover er in ons land sprake is van affectieve polarisatie, verloopt die nog altijd via de as van de inhoud, en niet via die van opleiding.
Bestaand onderzoek
Het weinige onderzoek dat tot op heden is gedaan naar deze kwestie is om drie redenen problematisch.
Ten eerste zijn er voor Nederland bijna alleen kwalitatieve onderzoeken beschikbaar waarin een aantal lager opgeleiden meldt dat ze het gevoel hebben dat hoger opgeleiden op hen neerkijken. Nu wil ik best geloven dat ze dat gevoel hebben, maar daarmee is nog niet gezegd dat het ook echt zo is.
De kern van ‘neerkijken op’ zijn negatieve gevoelens voor de groep in kwestie
Ten tweede is er conceptuele onhelderheid. De set van studies die in dit verband het vaakst wordt opgevoerd is die van de eerdergenoemde Kuppens en collega’s uit 2019. Maar hun bevinding dat hoger opgeleiden zich meer verbonden voelen met de eigen opleidingsgroep, betekent nog niet dat zij ook neerkijken op lager opgeleiden. Dat zijn heel verschillende dingen.
Ten derde, volgens mij is de kern van ‘neerkijken op’ het hebben van negatieve gevoelens voor de groep in kwestie. Maar de belangrijkste studie van Kuppens en collega’s waarin zij daadwerkelijk gevoelens ten aanzien van lager opgeleiden meten, werd niet gedaan onder Nederlanders, maar onder Amerikanen. Dat land is met zijn extreme individualisme en genadeloze onderwijscompetitie onvergelijkbaar met Nederland.
Nieuwe data
Hoe zit het dan wel? Om daarop antwoord te krijgen, heb ik een eigen analyse gemaakt van data die het SCP in 2022 heeft verzameld via het gerespecteerde LISS-panel. Het bureau vroeg aan vijfduizend Nederlanders wat hun gevoelens zijn voor allerlei maatschappelijke groepen, waaronder lager, middelbaar en hoger opgeleiden. Net als Kuppens en collega’s maakte het SCP daarbij gebruik van een zogenaamde gevoelsthermometer. Dat is een schaal die loopt van 0 graden (koud en negatief) tot 100 graden (warm en positief), met 50 graden als neutraal middelpunt.
De meeste hoger opgeleiden hebben neutrale of positieve gevoelens over lager opgeleiden
Als je de data bekijkt, is het eerste dat opvalt hoeveel mensen kiezen voor de middencategorie van 50. Maar liefst de helft van alle hoger opgeleiden kiest deze optie als het gaat om hun gevoelens ten aanzien van lager opgeleiden. In affectieve termen staan hoger opgeleiden dus neutraal tegenover lager opgeleiden. Van de andere helft kiest een ruime meerderheid voor een positieve evaluatie. Per saldo rapporteert 83 procent van de hoger opgeleiden neutrale of positieve gevoelens voor lager opgeleiden. Dat is al een eerste correctie op het sombere beeld.
Laten we vervolgens inzoomen op de gemiddelde scores (tabel 1).
Tabel 1: Gevoelens over opleidingsgroepen (van 0 tot 100 graden)

De verschillen blijken zeer gering. Gemiddeld zijn de gevoelens van hoger opgeleiden voor lager opgeleiden slechts 3,5 graad koeler dan voor de eigen opleidingsgroep.
Ter vergelijking: de oordelen van respondenten met een Nederlandse achtergrond over diverse groepen met een niet-westerse achtergrond, laten aanmerkelijk groter verschillen zien. Die groepen worden in deze SCP-enquête minimaal 10 graden tot ruim 15 graden koeler beoordeeld, afhankelijk van het specifieke herkomstgebied.
De verschillen binnen opleidingsgroepen zijn vele malen groter dan het gemiddelde verschil tussen opleidingsgroepen
Een andere belangrijke bevinding zijn de grote standaarddeviaties, van zo’n 15 tot 18 graden. De verschillen binnen opleidingsgroepen zijn dus vele malen groter dan het gemiddelde verschil tussen opleidingsgroepen. Om het aanschouwelijk te maken, heb ik onderstaande grafiek geconstrueerd met normaalverdelingen op basis van de gemiddelden en standaarddeviaties. Dat ziet er nu niet bepaald dramatisch uit: de verdelingen overlappen elkaar bijna volledig.
Figuur 1: normaalverdelingen gevoelens hoger opgeleiden over opleidingsniveaus

Ingroup bias
Tabel 1 laat ook zien dat een (lichte) voorkeur voor de eigen groep niet alleen onder hoger opgeleiden voorkomt, maar evenzeer onder middelbaar opgeleiden. Helaas wordt deze groep vaak weggelaten in beschouwingen over de veronderstelde tegenstellingen tussen lager en hoger opgeleiden.
Alleen bij de lager opgeleiden lijkt er op het eerste gezicht geen voorkeur te zijn voor de eigen groep. Het verschil is slechts 0,3 graden en niet significant. Hier is echter wat bijzonders aan de hand. Nadere inspectie van de data leert dat ruim driekwart van de respondenten die in de database van het LISS staan geregistreerd als lager opgeleid, zichzelf desgevraagd beschouwt als middelbaar opgeleid.
Als we deze groep weglaten, en alleen kijken naar de veel kleinere groep die niet alleen lager opgeleid is, maar zichzelf ook als zodanig beschouwt, neemt de voorkeur voor de eigen groep toe.
Zijn er dan helemaal geen betekenisvolle affectieve afstanden in Nederland?
De gevoelstemperatuur ten aanzien van hun mede-lager opgeleiden stijgt dan naar 63,3 graden (tegenover 61,7 graden voor hoger opgeleiden). Nog steeds geen verschil van dag en nacht en ook nog steeds niet significant. Het wekt echter de suggestie dat als je de steekproef maar groot genoeg maakt, er alsnog een ingroup bias zichtbaar kan worden.
Beter beeld
Zijn er dan helemaal geen betekenisvolle affectieve afstanden in Nederland? Natuurlijk wel. Alleen lopen die langs de lijn van de inhoud. Politicoloog Eelco Harteveld liet dat enkele jaren geleden al zien, en de SCP-data zetten nog eens een dikke streep onder zijn bevindingen.
Het bureau vroeg respondenten namelijk ook naar hun gevoelens ten aanzien van groepen met bepaalde inhoudelijke standpunten, zoals mensen die meer (of juist minder) vluchtelingen in Nederland willen opnemen, en mensen die het wel (of juist niet) nodig vinden om meer maatregelen te nemen tegen klimaatverandering. Hieronder staan weer enkele resultaten.
Tabel 2: Gevoelens over mensen met diverse standpunten (van 0 tot 100 graden)


Now we’re talking! Hier lopen de verschillen op tot meer dan 40 graden (zie omcirkelde cijfers). We kunnen nog een stap verder gaan, en ook kijken naar de gevoelens van respondenten tegenover linkse en rechtse mensen in het algemeen. Ook daarover bevat de SCP-enquête data. De resultaten zijn als volgt.
Tabel 3: Gevoelens over mensen die links of rechts zijn (van 0 tot 100 graden)

Als we op grond hiervan weer normaalverdelingen construeren voor de gevoelens van linkse en rechtse stemmers ten aanzien van hun electorale medestanders en tegenstanders, wordt het beeld als volgt: nog steeds geen affectieve kloof, maar in ieder geval een duidelijke afstand.
Figuur 2: normaalverdelingen gevoelens politieke linkse en rechtse mensen


Kijk naar inhoud
‘Het is al jaren een trend: hoogopgeleiden bashen’, schreef NRC-columniste Floor Rusman op zaterdag 1 maart 2025. Dat hoger opgeleiden zouden neerkijken op lager opgeleiden leek haar echter ‘een vooroordeel over een vooroordeel.’
Met alles duiden in termen van een onderwijsconflict is niemand geholpen
De bovengenoemde cijfers geven haar gelijk. Voor zover er in Nederland sprake is van een affectieve polarisatie, heeft die veeleer betrekking op inhoudelijke standpunten dan op opleidingsniveau.
De conclusie dringt zich op dat mensen zich niet zomaar laten reduceren tot de opleidingsgroep waartoe zij behoren. Los daarvan blijven ze hun eigen mening vormen over politiek hete hangijzers. Gelukkig maar. Met alles duiden in termen van een onderwijsconflict is niemand geholpen – ook de lager opgeleiden zelf niet. Laten we het gewoon weer hebben over de inhoud.
Will Tiemeijer is bijzonder hoogleraar Gedragswetenschappen en Beleid aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Voor dit artikel is gebruik gemaakt van de LISS-bestanden Social Cohesion 2022 en AVARS 202208. Voor een eventuele toelichting kan contact worden opgenomen met de auteur.
Foto: cottonbro studio via Pexels.com