Nee, hoger opgeleiden kijken niet neer op lager opgeleiden!

Het beeld dat hoger opgeleiden neer zouden kijken op lager opgeleiden is onjuist, zegt bijzonder hoogleraar Will Tiemeijer. Als het gaat om affectieve polarisatie, zijn inhoudelijke tegenstellingen veel belangrijker.

‘Mensen die het goed hebben en theoretisch zijn opgeleid, zijn geneigd om neer te kijken op mensen die zich in een minder bevoorrechte positie bevinden. Dat is geen fraai beeld’, zei onlangs Karin van Oudenhoven, de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).

Dat klinkt inderdaad niet best… als het waar is.

Geen bewijs

Volkskrant-columnist Sander Schimmelpenninck schreef eerder al dat hij geen enkel bewijs kon vinden voor de stelling dat hoger opgeleiden zouden neerkijken op lager opgeleiden. Dan heeft hij niet goed gezocht, reageerden de Groningse onderzoeker Toon Kuppens en zijn collega’s. Dat onderzoek zou er wel degelijk zijn. ‘Steevast blijkt dat met  name hoogopgeleiden zich méér verbonden voelen met hun opleidingsniveau dan lager opgeleiden.’

Ik ben de cijfers ingedoken en mijn conclusie: nee, het is niet waar

Omdat ik toevallig zelf ook hoger opgeleid ben, wilde ik wel eens weten hoe het werkelijk zit: hebben mensen zoals ik echt zulke negatieve gevoelens voor lager opgeleiden?

Ik ben de cijfers ingedoken en mijn conclusie: nee, het is niet waar. Natuurlijk zijn er voorbeelden te vinden van individuele hoger opgeleiden die lelijke dingen zeggen over lager opgeleiden, maar die zijn niet representatief voor de groep als geheel. Voor zover er in ons land sprake is van affectieve polarisatie, verloopt die nog altijd via de as van de inhoud, en niet via die van opleiding.

Bestaand onderzoek

Het weinige onderzoek dat tot op heden is gedaan naar deze kwestie is om drie redenen problematisch.

Ten eerste zijn er voor Nederland bijna alleen kwalitatieve onderzoeken beschikbaar waarin een aantal lager opgeleiden meldt dat ze het gevoel hebben dat hoger opgeleiden op hen neerkijken. Nu wil ik best geloven dat ze dat gevoel hebben, maar daarmee is nog niet gezegd dat het ook echt zo is.

De kern van ‘neerkijken op’ zijn negatieve gevoelens voor de groep in kwestie

Ten tweede is er conceptuele onhelderheid. De set van studies die in dit verband het vaakst wordt opgevoerd is die van de eerdergenoemde Kuppens en collega’s uit 2019. Maar hun bevinding dat hoger opgeleiden zich meer verbonden voelen met de eigen opleidingsgroep, betekent nog niet dat zij ook neerkijken op lager opgeleiden. Dat zijn heel verschillende dingen.

Ten derde, volgens mij is de kern van ‘neerkijken op’ het hebben van negatieve gevoelens voor de groep in kwestie. Maar de belangrijkste studie van Kuppens en collega’s waarin zij daadwerkelijk gevoelens ten aanzien van lager opgeleiden meten, werd niet gedaan onder Nederlanders, maar onder Amerikanen. Dat land is met zijn extreme individualisme en genadeloze onderwijscompetitie onvergelijkbaar met Nederland.

Nieuwe data

Hoe zit het dan wel? Om daarop antwoord te krijgen, heb ik een eigen analyse gemaakt van data die het SCP in 2022 heeft verzameld via het gerespecteerde LISS-panel. Het bureau vroeg aan vijfduizend Nederlanders wat hun gevoelens zijn voor allerlei maatschappelijke groepen, waaronder lager, middelbaar en hoger opgeleiden. Net als Kuppens en collega’s maakte het SCP daarbij gebruik van een zogenaamde gevoelsthermometer. Dat is een schaal die loopt van 0 graden (koud en negatief) tot 100 graden (warm en positief), met 50 graden als neutraal middelpunt.

De meeste hoger opgeleiden hebben neutrale of positieve gevoelens over lager opgeleiden

Als je de data bekijkt, is het eerste dat opvalt hoeveel mensen kiezen voor de middencategorie van 50. Maar liefst de helft van alle hoger opgeleiden kiest deze optie als het gaat om hun gevoelens ten aanzien van lager opgeleiden. In affectieve termen staan hoger opgeleiden dus neutraal tegenover lager opgeleiden. Van de andere helft kiest een ruime meerderheid voor een positieve evaluatie. Per saldo rapporteert 83 procent van de hoger opgeleiden neutrale of positieve gevoelens voor lager opgeleiden. Dat is al een eerste correctie op het sombere beeld.

Laten we vervolgens inzoomen op de gemiddelde scores (tabel 1).

Tabel 1: Gevoelens over opleidingsgroepen (van 0 tot 100 graden)

De verschillen blijken zeer gering. Gemiddeld zijn de gevoelens van hoger opgeleiden voor lager opgeleiden slechts 3,5 graad koeler dan voor de eigen opleidingsgroep.

Ter vergelijking: de oordelen van respondenten met een Nederlandse achtergrond over diverse groepen met een niet-westerse achtergrond, laten aanmerkelijk groter verschillen zien. Die groepen worden in deze SCP-enquête minimaal 10 graden tot ruim 15 graden koeler beoordeeld, afhankelijk van het specifieke herkomstgebied.

De verschillen binnen opleidingsgroepen zijn vele malen groter dan het gemiddelde verschil tussen opleidingsgroepen

Een andere belangrijke bevinding zijn de grote standaarddeviaties, van zo’n 15 tot 18 graden. De verschillen binnen opleidingsgroepen zijn dus vele malen groter dan het gemiddelde verschil tussen opleidingsgroepen. Om het aanschouwelijk te maken, heb ik onderstaande grafiek geconstrueerd met normaalverdelingen op basis van de gemiddelden en standaarddeviaties. Dat ziet er nu niet bepaald dramatisch uit: de verdelingen overlappen elkaar bijna volledig.

Figuur 1: normaalverdelingen gevoelens hoger opgeleiden over opleidingsniveaus

Ingroup bias

Tabel 1 laat ook zien dat een (lichte) voorkeur voor de eigen groep niet alleen onder hoger opgeleiden voorkomt, maar evenzeer onder middelbaar opgeleiden. Helaas wordt deze groep vaak weggelaten in beschouwingen over de veronderstelde tegenstellingen tussen lager en hoger opgeleiden.

Alleen bij de lager opgeleiden lijkt er op het eerste gezicht geen voorkeur te zijn voor de eigen groep. Het verschil is slechts 0,3 graden en niet significant. Hier is echter wat bijzonders aan de hand. Nadere inspectie van de data leert dat ruim driekwart van de respondenten die in de database van het LISS staan geregistreerd als lager opgeleid, zichzelf desgevraagd beschouwt als middelbaar opgeleid.

Als we deze groep weglaten, en alleen kijken naar de veel kleinere groep die niet alleen lager opgeleid is, maar zichzelf ook als zodanig beschouwt, neemt de voorkeur voor de eigen groep toe.

 Zijn er dan helemaal geen betekenisvolle affectieve afstanden in Nederland?

De gevoelstemperatuur ten aanzien van hun mede-lager opgeleiden stijgt dan naar 63,3 graden (tegenover 61,7 graden voor hoger opgeleiden). Nog steeds geen verschil van dag en nacht en ook nog steeds niet significant. Het wekt echter de suggestie dat als je de steekproef maar groot genoeg maakt, er alsnog een ingroup bias zichtbaar kan worden.

Beter beeld

Zijn er dan helemaal geen betekenisvolle affectieve afstanden in Nederland? Natuurlijk wel. Alleen lopen die langs de lijn van de inhoud. Politicoloog Eelco Harteveld liet dat enkele jaren geleden al zien, en de SCP-data zetten nog eens een dikke streep onder zijn bevindingen.

Het bureau vroeg respondenten namelijk ook naar hun gevoelens ten aanzien van groepen met bepaalde inhoudelijke standpunten, zoals mensen die meer (of juist minder) vluchtelingen in Nederland willen opnemen, en mensen die het wel (of juist niet) nodig vinden om meer maatregelen te nemen tegen klimaatverandering. Hieronder staan weer enkele resultaten.

Tabel 2: Gevoelens over mensen met diverse standpunten (van 0 tot 100 graden)

Now we’re talking! Hier lopen de verschillen op tot meer dan 40 graden (zie omcirkelde cijfers). We kunnen nog een stap verder gaan, en ook kijken naar de gevoelens van respondenten tegenover linkse en rechtse mensen in het algemeen. Ook daarover bevat de SCP-enquête data. De resultaten zijn als volgt.

Tabel 3: Gevoelens over mensen die links of rechts zijn (van 0 tot 100 graden)

Als we op grond hiervan weer normaalverdelingen construeren voor de gevoelens van linkse en rechtse stemmers ten aanzien van hun electorale medestanders en tegenstanders, wordt het beeld als volgt: nog steeds geen affectieve kloof, maar in ieder geval een duidelijke afstand.

 

Figuur 2: normaalverdelingen gevoelens politieke linkse en rechtse mensen

Kijk naar inhoud

‘Het is al jaren een trend: hoogopgeleiden bashen’, schreef NRC-columniste Floor Rusman op zaterdag 1 maart 2025. Dat hoger opgeleiden zouden neerkijken op lager opgeleiden leek haar echter ‘een vooroordeel over een vooroordeel.’

Met alles duiden in termen van een onderwijsconflict is niemand geholpen

De bovengenoemde cijfers geven haar gelijk. Voor zover er in Nederland sprake is van een affectieve polarisatie, heeft die veeleer betrekking op inhoudelijke standpunten dan op opleidingsniveau.

De conclusie dringt zich op dat mensen zich niet zomaar laten reduceren tot de opleidingsgroep waartoe zij behoren. Los daarvan blijven ze hun eigen mening vormen over politiek hete hangijzers. Gelukkig maar. Met alles duiden in termen van een onderwijsconflict is niemand geholpen – ook de lager opgeleiden zelf niet. Laten we het gewoon weer hebben over de inhoud.

Will Tiemeijer is bijzonder hoogleraar Gedragswetenschappen en Beleid aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Voor dit artikel is gebruik gemaakt van de LISS-bestanden Social Cohesion 2022 en AVARS 202208. Voor een eventuele toelichting kan contact worden opgenomen met de auteur.

 

Foto: cottonbro studio via Pexels.com

Reacties 7

  1. Merkwaardig dat gezocht wordt of ‘neerkijken’ op lager geschoolden veel of weinig voorkomt. Dat de SCP directeur klassengrenzen zo typeert laat zien dat de neiging tot psychologiseren diep is doorgedrongen in sociaalwetenschappelijke kringen. Dat heet dan kennelijk affectieve polarisatie.
    Ik dacht dat we sinds Bourdieu begrepen hadden dat cultureel kapitaal , vaak op subtiele manieren, groepen van elkaar doet onderscheiden. Dat heeft weinig te maken met oppervlakkige persoonlijke oordelen over mensen uit andere statusgroepen. En als Tiemeijer dan ook nog eens een verbale gevoelsthermometer gebruikt en daar statistische kunstjes mee uithaalt is het resultaat: nee hoor, wij gestudeerden kijken helemaal niet neer op mbo-ers. Gaat u maar rustig slapen.
    Beter is het om de ervaringen te lezen van bijvoorbeeld Karem Amghar (“Maar dat begrijp jij toch niet”) of Milio van de Kamp (“Misschien moet je eens lager mikken”), of nog beter : het onderzoek “The class ceiling” van Laurison en Friedman. Daaruit blijkt dat het niet gaat om bot neerkijken op lager geschoolden. Ze worden gewoon niet gezien. En als ze als klassenmigrant proberen om de sociale ladder te beklimmen( lees Lenette Schuit “Transklasse”:) belanden ze tussen twee werelden.
    Tiemeijers oppervlakkige empirische statistische exercities leiden af van het reële bestaan van klassengrenzen. Helaas niet uniek in de sociale wetenschappen.

  2. Interessante bijdrage! Ik mis wel een paar zaken. Zoals dat we van theoretisch opgeleiden weten dat ze vaker sociaal wenselijke antwoorden geven – hoe zit dat hier, vertekent dat niet hun zelf-rapportage over praktisch opgeleiden? Waarom niet een kritischer noot over de beperkingen van zelf-rapportage?

    En dan “ Ten eerste zijn er voor Nederland bijna alleen kwalitatieve onderzoeken beschikbaar waarin een aantal lager opgeleiden meldt dat ze het gevoel hebben dat hoger opgeleiden op hen neerkijken. Nu wil ik best geloven dat ze dat gevoel hebben, maar daarmee is nog niet gezegd dat het ook echt zo is.”

    Tsja. Zoals in de andere reactie ook al werd aangegeven, ontstaan gevoelens niet vanzelf. Wie wel eens met een praktisch opgeleide heeft gesproken weet dat zij vaak vrij precies aan kunnen wijzen hoe ze aan deze gevoelens komen.

    We zien – ook deze Tweede Kamerverkiezingen – bijzonder weinig praktisch opgeleiden op de kandidatenlijsten. Wat is ‘niet neerkijken volgens zelf-rapportage’ waard als je geen politieke invloed wordt gegund?

  3. In zijn bedrage stelt Will Tiemeijer vragen bij het onderzoek naar opleidingsgebonden intergroepsprocessen. Concreet tracht hij de stelling te weerleggen dat hoogopgeleiden neerkijken op praktisch/korter/lager opgeleiden. De stelligheid waarmee Tiemeijer zijn conclusie formuleert is ongepast want hij kiest ervoor om het meeste onderzoek over de houding van hoger opgeleiden tegenover praktisch/korter/lager opgeleiden buiten beschouwing te laten, en dat geeft een vertekend beeld. Hier een paar bevindingen die Tiemeijer negeerde:
    (1) In onderzoek in Nederland vonden we dat hoger opgeleiden een sterkere voorkeur hadden voor hoger opgeleide politieke kandidaten in vergelijking met kandidaten zonder diploma tertiair onderwijs. Óók als die kandidaten even competent waren. (https://journals.sagepub.com/d...)
    (2) In Spanje worden mensen met een kortere opleiding gezien als ‘minder ontwikkeld en minder menselijk’ (less evolved/less human). (https://bpspsychub.onlinelibra...)
    (3) Ook in Spanje twijfelen sommigen of de kortst opgeleiden wel stemrecht moeten hebben of zich politiek kandidaat mogen stellen.
    (4) In Nederland en de VS zeggen mensen meer irritatie/boosheid te voelen tegenover lager opgeleiden dan tegenover armen, arbeiders, of etnische minderheden. (https://pure.rug.nl/ws/files/6...)

    Of je dit soort houdingen tegenover mensen met een korte opleiding nu ‘neerkijken op’ wil noemen, of ‘vooroordelen’, of met nog een andere term wil samenvatten, het blijft wat ons betreft problematisch en dus de moeite om ze verder te onderzoeken.

    Overigens voegt de nieuwe data die Tiemeijer analyseert weinig toe, wij (https://dataverse.nl/dataset.x...) en anderen (https://www.nature.com/article...) publiceerden al eerder data die bijna identiek is. We weten dus al langer dat je in landen als Nederland, België of Frankrijk maar kleine opleidingsverschillen vindt op de gevoelsthermometer. Om dat te begrijpen, is wat meer uitleg nodig.

    Twee elementen zijn cruciaal.

    1. Een theorie over intergroeps-relaties.

    Tiemeijer presenteert zijn analyse zonder een theorie over intergroepsrelaties. Dat is spijtig. Had hij het wel gedaan, zou hij inzien dat hij eigenlijk niet zo’n goede meetinstrumenten gebruikt heeft.
    Als we het hebben over de relatie tussen laag- en hooggeschoolden hebben we het over wat in de literatuur ‘dominantierelaties’ genoemd worden, dat wil zeggen een relatie waar één groep om historische en maatschappelijke redenen meer maatschappelijke invloed en macht heeft dan een andere. De relatie tussen mannen/vrouwen, etnische relaties en klassenrelaties zijn daar voorbeelden van. In The velvet glove verduidelijkt Mary Jackman dat binnen zo’n dominantierelaties de dominante groep (hier: hooggeschoolden) er niets bij te winnen hebben om openlijk negatieve houdingen aan te nemen ten aanzien van de gedomineerde groep. Een dominante groep heeft te winnen bij een maatschappelijke status quo. Een openlijk negatieve houding aannemen tegenover laaggeschoolden (gedomineerde groep) is voor hooggeschoolden (dominante groep) risicovol omdat het sociale competitie en dus een potentiële verandering van de status quo riskeert. Daarom zien we in rustige tijden bij dominante groepen veeleer paternalisme: een ogenschijnlijk warme houding die conditioneel is op het niet in vraag stellen van de structurele verhouding tussen de groepen (‘het zijn goede mensen, maar laat ze niet aan de knoppen zitten’). Dat is precies wat wij aantoonden. In onze studie vertrekken we van het inzicht dat in de stereotypes die mensen hanteren zich twee basisdimensies aftekenen, nl. warmte en competentie. Die twee types hangen samen met andere gedragsuitkomsten. Warmte leidt naar openlijk groepsconflict, competentie hangt samen met gepercipieerde status en dus gevoelens van respect of neerbuigendheid. Ons onderzoek toont voor Vlaanderen – toch niet zo verschillend van Nederland – dat hoog en laagopgeleiden een andere stereotypedimensie hanteren om het verschil tussen opleidingsgroepen te maken. Hoogopgeleiden gebruiken daarbij de competentiedimensie.
    Eigenlijk gaat Tiemeijer met die warmtethermometer vooroordelen van hoogopgeleiden dus al op de verkeerde plaats zoeken. Hij lijkt te denken dat gevoelens belangrijker zijn dan stereotypes. Dat klopt niet omdat de tweede het gevolg zijn van de eersten.

    2. Welk empirisch bewijs heb je nodig?

    Tiemeijer schetst een aantal vermeende problemen met het Nederlands onderzoek naar houdingen van hoogopgeleiden. Waarom hij zich wil beperken tot Nederland is niet duidelijk. Vlaanderen, Duitsland, Frankrijk of Denemarken zijn alleszins regio’s/landen die niet te sterk verschillen van Nederland. Je kan je ook afvragen of de neerbuigendheid direct meten zo zinvol is. Dominante groepen hebben er immers geen belang bij om dat direct te uiten. Het is misschien beter te kijken naar zaken die er een rechtstreeks (gedragsmatig) gevolgen van zijn. Op dat vlak heeft Tiemeijer toch wel heel wat literatuur gemist. We gaan hier niet in detail, maar volgende studies zijn relevant:
    – Als we in Vlaanderen vragen of jongeren uit het secundair onderwijs het gevoel hebben dat er op hen wordt neergekeken omwille van hun studiekeuze, dan antwoorden jongeren uit het arbeidsmarktgericht onderwijs daar veel vaker bevestigend op dan jongeren uit onderwijs dat voorbereid op de universiteit (https://researchportal.vub.be/...). Waar komt dat gevoel vandaag als het niet ingegeven wordt door de houdingen van hooggeschoolden?
    – Er is steeds meer bewijs dat opleidingsgroepen diploma-labels gebruiken bij het samenstellen van sociale relaties. Dat wordt vastgesteld in patronen op datingsites (https://academic.oup.com/esr/a...). Overigens kan men niet heen om de vaststelling dat er blijkbaar een markt is voor datingbureaus die zich uitsluitend richten op hooggeschoolden. Hoe duidelijk kan een voorkeur worden? In Vlaanderen hebben jongeren uit het algemeen secundair onderwijs – de onderwijsvorm die voorbereidt op universitair onderwijs – de helft minder kans om een vriend te hebben die een andere onderwijsvorm volgt in vergelijking met jongeren uit een arbeidsmarktgerichte opleiding. Mensen gaan sociale relaties aan met diegene die ze als gelijkwaardig zien.
    – In twee studies tonen Jochem Van Noord en collega’s (https://journals.sagepub.com/d...) dat hoog- en laagopgeleiden hoogopgeleide politici verkiezen. Dat komt omdat hoogopgeleid zijn geassocieerd wordt met competentie. Als de competentie van de kandidaat gemanipuleerd wordt blijken nog steeds de hoogopgeleide kandidaten te verkiezen, zelfs in de lage competentie conditie. Veel duidelijker bewijs van een in-group preferentie onder hoogopgeleiden, kan je moeilijk vinden.

    Naast rustige tijden, zijn er natuurlijk ook momenten of thema’s waar de status quo als bedreigd wordt aangevoeld. Het zijn die momenten of die contexten waarin dominantie groepen hun ogenschijnlijke tolerantie vaak laten varen. Als men dus openlijk negatieve opvattingen van hoogopgeleiden ten aanzien van laagopgeleiden wil vinden, moet men ze daar gaan zoeken.

    Dat kan in de context van politieke discussies en meer bepaald diegene rond het succes en de gevolgen van populisme. Spaans onderzoek gebaseerd op drie studies toont in die context steun voor het voorkomen van negatieve houdingen bij hooggeschoolden tegenover stemrecht voor laaggeschoolden (https://bpspsychub.onlinelibra...). Onderzoek in vier Europese landen tonen dat hoogopgeleiden die zich verbonden voelen met hun opleidingspositie, vaker een meer elitistische kijk hebben op politiek (https://researchportal.vub.be/...).

    Er is in deze context méér onderzoek nodig, zeker niet minder. En daarmee komen we bij het cruciale punt. Tiemeijer’s stuk eindigt met een oproep “Met alles duiden in termen van een onderwijsconflict is uiteindelijk niemand mee geholpen – ook de lager opgeleiden niet. Laten we het gewoon weer over de inhoud hebben”.

    Ten eerste, wie ‘duidt alles in termen van een onderwijsconflict’? Niemand. Hier wordt een stroman gecreëerd. Het is niet omdat we als onderzoekers een probleem aankaarten dat we zeggen dat dat het enige of zelfs het belangrijkste probleem is. Het is Tiemeijer zelf die dat zegt en daarmee een betoog opzet dat onmogelijk gefalsifieerd kan worden. Alleen als alle hoogopgeleiden onder alle omstandigheden openlijk negatief zouden zijn over laaggeschoolden én die houdingen nog veel sterker zouden zijn dan gevoelens verbonden met andere aan politiek gerelateerde onderscheiden, zou in zijn redenering dat bewijs zijn voor een opleidingsconflict. Het is overigens opvallend dat Tiemeijer de factor die altijd cruciaal blijkt, namelijk opleidingsverbondenheid, in zijn analyse niet meeneemt.

    Ten tweede, is bekeken vanuit de literatuur rond dominantierelaties het wegduwen van een conflict de meest gebruikte strategieën door dominantie groepen: ‘We zijn allemaal verschillend, lang leve het verschil’, ‘er zijn veel grotere problemen, laat ons ons daarop concentreren’. Of in Tiemeijer’s woorden ‘laat ons het gewoon over de inhoud hebben’. Stel u voor dat men dit zou zeggen over genderongelijkheden of de ongelijkheden naar etnisch-culturele achtergrond. Velen zouden zo’n uitspraak niet aanvaarden. Het intrigerende aan opleiding als scheidslijn is dat we dat net wél doen.

    Toon Kuppens en Bram Spruyt

  4. Gij zult niet roken, ook niet in een besloten club (café), gij zult geen brommer rijden en al helemaal niet op het fietspad. Fatbikes zijn extreem gevaarlijk.

    Dit zijn oordelen die door hoogopgeleiden de wereld in worden gestuurd. Wat dit soort denken in de gezondheidssector betekent voor laag opgeleiden heeft sociaal psychologe Dr. Taüber al lang geleden aangetoond.
    Wij, ook ik ben hoogopgeleid, kijken natuurlijk niet neer op anderen. Dat is onwenselijk gedrag. Echter, hoogopgeleiden houden geen rekening met laag opgeleiden. Wat het beleidsmatig denken van hoogopgeleiden, op ieder beleidsvlak, aan invloed heeft op laag opgeleiden is een black box. Nooit vindt er een gevolganalyse plaats.

    Het meest kenmerkende voorbeeld is uiteraard het toeslagenschandaal. De landelijke politiek, i.c. de 2e Kamer, heeft een neerkijkend model voor fraude door laagopgeleiden ontwikkeld. Dat fraude door hoogopgeleiden, meestal het opzoeken van de randjes genoemd, vele malen meer maatschappelijke schade veroorzaakt, is iedereen duidelijk. Of neem de 11 miljard belastingvoordeel voor eigen woonbezitters boven de tot huren veroordeelden. Nee, ik kijk niet op anderen neer, maar ik maak uiteraard volop gebruik van alles wat maar mogelijk is. De 7 vinkjes zijn niet voor niets als een maatschappelijk probleem aan de orde gesteld. Effect?, nihil.

    Je niet in willen leven in de (maatschappelijke, politieke, emotionele) positie van anderen is een van de kernen van pestgedrag. Hoogopgeleiden pesten, zonder zich dat te realiseren, permanent laag opgeleiden.

    De WRR heeft enkele jaren geleden met het benoemen van ‘doenvermogen’, is het naleven van wet- en regelgeving wel doenbaar voor iedereen?, de vinger op de zere plek gelegd. Op dit moment loopt er bij het Rijk een groot programma om het bewust zijn en stilstaan door ambtenaren bij ‘doenvermogen’ van burgers sterk op het netvlies. Hoog tijd dat de sociale wetenschap dat breed uitdraagt en er voor zorgt dat alle hoogopgeleiden daar permanent bij stil staan.
    Veel waardering voor Toon Kuppens en Bram Spruyt, maar laten we realistisch zijn. Pas als de KNAW dit centraal op de wetenschappelijke agenda zet, maakt ‘doenvermogen’ een kans om in de sociale wetenschap centraal te stellen.

  5. Enkele conclusies van Will Tiemeyer

    1.
    ‘Voor zover er in ons land sprake is van affectieve polarisatie, verloopt die nog altijd via de as van de inhoud, en niet via die van opleiding.’

    Ik neem aan dat iedereen na het lezen van mijn voorgaande betoog inziet, dat hier een verband, een relatie, is gelegd die volstrekt niet wetenschappelijk is onderbouwd. Het bepalen, het domineren van de inhoud, is namelijk uitsluitend voorbehouden aan hoogopgeleiden.

    2.
    ‘Ten eerste zijn er voor Nederland bijna alleen kwalitatieve onderzoeken beschikbaar waarin een aantal lager opgeleiden meldt dat ze het gevoel hebben dat hoger opgeleiden op hen neerkijken. Nu wil ik best geloven dat ze dat gevoel hebben, maar daarmee is nog niet gezegd dat het ook echt zo is.’

    Hier raakt Will Tiemeyer mij recht in mijn hart.
    Al meer dan 30 jaar lang betoog ik:

    * dat het gevoel dat inwoners hebben over de luchtkwaliteit volstrekt in strijd is met de werkelijkheid;
    * dat het risico op vooroverlijden ca. 0,0000000xx% uitmaakt op de gemiddelde ouderdom die Nederlanders bereiken. De werkelijkheid verliest het van het gevoel;
    * dat NL wetenschappers bij gezondheidsonderzoek voor het leggen van relaties tussen oorzaken en gevolgen nooit de juiste Bayesiaanse statistische methode gebruiken. U weet wel, op grond van die methode is Lucia de Berk volledig vrijgesproken van de beschuldigingen van moord. Een wetenschappelijk warhoofd had, met een veroordeling van een onschuldige tot gevolg, betoogd dat de kans dat zij niet schuldig was 1 op 342.000.000.000 was. Bijna 7 jaar lang zat zij onschuldig in de gevangenis, en wat heeft die valse beschuldiging met háár gezondheid gedaan? Ik kan dat bijna niet loslaten.

    Ik daag sociale wetenschappers uit om aan te tonen dat zij de één op één statistiek verachten, en dat zij altijd en overal hun conclusies baseren op vele oorzaken die tot hetzelfde gevolg leiden; de Bayesiaanse statistische methode.

  6. Dagelijkse hoor je de reclame op de radio: ‘verzekering, alleen voor hoger opgeleiden’. De laatsten kijken niet expliciet neer op lager of nauwelijks opgeleiden maar gaan impliciet uit van het denkbeeld dat andere groepen dan zij zelf ruw volk zijn en me dus meer schade aanrichten.
    Elites kijken niet neer op plebs, ze leven er volstrekt langs heen in paralelle werelden. In eigen resorts ver van gewone mensen laat staan van de achterbuurten. Romanciers benaderen die realiteit beter dan statistici. Lees P.F. Thomese’ Black Out over Blankendaal/ Bloemendaal.
    Kortom: lees een goed boek en laat statistici maar kissebissen over gevoelsthermometers op basis van verbale uitspraken (in plaats van performaal gedrag): humbug van hoger opgeleiden. Subtiele meritocratische machtsinstrumenten.

  7. Indirect en sommigen direct, zijn wel degelijk bezig met neerkijken op laagopgeleiden. Ook in risicoprofielen staat ook vaak alleen maar “laagopgeleiden” terwijl hoogopgeleiden wel degelijk intimidatie kunnen tonen indirect en direct maar doordat ze bepaalde taal bezigen en mee kunnen komen met samenleving of in een positie zitten waar men afhankelijkheidspositie hebben met klant/cliënt/patiënt, is dit vaak verborgen en moeilijk te doorprikken. Ik heb letterlijk ‘gevoelens uitgelegd’ daarna letterlijk stiltebehandelingen gehad omdat men uitgingen van eigen gelijk en niet wilden inleven in waar ik emotioneel inzat. Dit zie je ook bij de overheid gebeuren tussen burgers, geen communicatie, eigen gelijk, geen feedback mogen geven, het is het pesten van hoogopgeleiden maar soms ook emotioneel/psychisch geweld.

    Het is als “narcisme in de manager wereld” , de workaholics, die idem dito ook complex ptss/trauma kunnen hebben ‘in persoon’ net zo goed met innerlijke conflicten kunnen sjouwen maar zich zo kunnen aanpassen en door hoge positie anderen kunnen ondermijnen/neerkijken.
    Sommige zijn bereid om “zich te excuseren en rekening mee te houden” maar er zijn ook hoogopgeleiden die zich dominant opstellen en eigen gelijk willen beteugelen, niet toe willen geven hoe iemand zich emotioneel voelt en uitlegt en zich maatschappelijk wil voordragen, hoe men zich voelt bij te veel druk en motto “hardwerkende”, dat niet iedereen qua energie kan dragen (als introvert en sensitiviteit) maar beamen ‘dat je maar moet komen, zo niet, zien ze dat als ‘weigering’ Niettemin hoe vaak ik wel niet benaderd wordt met ‘achter de rug om praten’ zonder mij gesproken te hebben met mij maar wel valse beschuldigen krijg, is dit schadelijk?, absoluut want ‘hoogopgeleiden onderling’ sluiten zich bij elkaar aan en zo staat het in je dossier. Dit zie je ook bij affaires, speculatie in dossiers, waar burgers moeilijk tegenin kunnen attenderen.

    Laagopgeleiden vind ik ook maar een nare uiting aangezien ik daar terecht ben gekomen vanwege complexe ptss, dat ondermijnen zorgt ervoor dat ik telkens onderschat wordt en ‘mijn degelijke IQ’ niet kan halen. Het is als de uitspraak ‘maar dat begrijp je toch niet’ of “daar ben je toch te kwetsbaar voor’ ja ammehoela, dat betekent niet dat ik niet wil meepraten, dat ik niet iets weet.
    Hoe vaak ik wel niet heb beaamd ‘dat ik tegen muren wil aanlopen omdat ik daar van leer’ en toch nog voorzichtig wordt benaderd en dingen voor je gaan doen die je zelf kan, dat is best vaak en dat houdt je klein en het maakt mogelijk dat je niet kan groeien.

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *