Leven lang ontwikkelen (LLO) wordt gezien als dé weg naar werkzekerheid. Daarbij veronderstellen beleidsmakers dat iedereen kan en wil leren, en dat leren vanzelf tot werk leidt. Deze aanname is onjuist. Uit de nieuwste arbeidsmarktprognose van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) blijkt dat de banengroei in meerdere sectoren en regio’s stagneert en in sommige zelfs afneemt.
LLO leidt alleen tot duurzame banen als het aansluit op banen die lokaal beschikbaar zijn
Bij- of omscholing naar werk dat lokaal weinig kansen biedt, of in een krimpende sector wordt aangeboden dan wel persoonlijk niet haalbaar is, garandeert geen werkzekerheid. LLO leidt alleen tot duurzame banen als het aansluit op banen die lokaal haalbaar en beschikbaar zijn.
Hardnekkig neoliberaal
De Nederlandse arbeidsmarkt is de afgelopen decennia sterk veranderd. Tegenwoordig ligt de verantwoordelijkheid voor het vinden en behouden van werk vooral bij het individu. Werknemers moeten hun loopbaan zelf sturen, zich blijven ontwikkelen en flexibel inzetbaar zijn. Succes is een kwestie geworden van eigen keuzes en inzet. Dat past in het meritocratische en neoliberale denken dat sinds de jaren tachtig overheerst. Ondanks jarenlange kritiek blijft deze manier van denken hardnekkig. Beleidsmakers en onderzoekers spiegelen zich wellicht graag aan het neoliberale idee dat succes vooral een kwestie is van talent en inzet.
In werkelijkheid wordt werkzekerheid mede bepaald door factoren buiten het individu
In de praktijk zie je dit terug in beleid dat werkzekerheid reduceert tot individuele kwaliteiten. Neem de nadruk op LLO: blijven leren en bij- en omscholen zou de sleutel zijn tot werkzekerheid. De verantwoordelijkheid ligt bij het individu: wie zich bijschoolt, blijft inzetbaar en verzekerd van werk. In werkelijkheid wordt werkzekerheid mede bepaald door factoren buiten het individu, zoals persoonlijke omstandigheden, werkgevers en regionale arbeidsmarkt.
Persoonlijke omstandigheden, zoals zorgtaken, gezondheid of financiële druk, beperken vaak de ruimte om te investeren in scholing. Ook binnen organisaties krijgt niet iedereen gelijke kansen. Mensen met een tijdelijk contract ontvangen doorgaans minder opleidingsmogelijkheden. En zelfs als scholing wel plaatsvindt, vergroot dat de inzetbaarheid alleen wanneer er op de arbeidsmarkt daadwerkelijk passende banen beschikbaar zijn.
Met alleen het stimuleren van LLO slaan we de plank mis. De gevolgen raken vooral kwetsbare groepen en vergroten de ongelijkheid. Wie al sterk staat op de arbeidsmarkt profiteert het meest. Mensen met vaste contracten, goede arbeidsvoorwaarden en duidelijke loopbaanpaden kunnen relatief gemakkelijk gebruikmaken van opleidingskansen en zetten scholing om in verdere carrièrestappen. Dit beleid versterkt hun bestaande voordeel. Degenen die zich in onzekere of minder doorgroeigerichte functies bevinden, of die door persoonlijke omstandigheden minder ruimte hebben om te leren, profiteren nauwelijks. Zonder oog voor contextuele verschillen vergroot een individuele focus op LLO de kloof op de arbeidsmarkt.
Meer dan leren
Mijn onderzoek naar inzetbaarheid — de kans op het verkrijgen én behouden van werk — benadrukt het belang van context. Veel onderzoek richt zich op individuele factoren waar mensen zelf invloed op hebben, zoals gedrag of vaardigheden. Tegelijkertijd zijn persoonlijke omstandigheden, zoals gezondheid, woonomgeving en zorgtaken, van groot belang. Ook contextuele factoren op organisatorisch en maatschappelijk niveau spelen een rol: leiderschap, HR-beleid, scholingsmogelijkheden, arbeidsmarktbeleid, het onderwijssysteem en de economische situatie.
De wisselwerking tussen mens en context moet het vertrekpunt zijn voor toekomstig arbeidsmarktbeleid
Inzetbaarheid gaat over de balans tussen wat iemand kan bijdragen aan de arbeidsmarkt en de vraagkant van werk: de mate waarin er banen zijn die aansluiten bij iemands mogelijkheden en omstandigheden. De wisselwerking tussen mens en context moet het vertrekpunt zijn voor toekomstig arbeidsmarktbeleid.
Dat betekent een verschuiving van louter aandacht voor het aanbod van vaardigheden naar de match tussen aanbod en vraag. De mens vormt het aanbod: daarbij gaat het niet alleen om motivatie en vaardigheden, maar ook om persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden. De context vormt de vraagkant: de aansluiting met regionale banen en organisaties is cruciaal voor werkzekerheid.
Nauwe samenwerking vereist
Effectief LLO-beleid vraagt meer dan alleen opleidingsbudgetten. Zo zullen recente plannen voor een mogelijk individueel leerbudget alleen effect hebben wanneer de scholing perspectief biedt op werk dat lokaal en haalbaar is. LLO kan een krachtig middel zijn, mits beroepsgericht en aansluitend bij zowel de persoonlijke mogelijkheden als bij de regionale arbeidsmarkt. Dat vergt nauwe samenwerking tussen overheid, onderwijs en werkgevers.
Inspirerende voorbeelden laten zien dat dit kan: het LLO-Collectief, een initiatief van het Nationaal Groeifonds, maakt scholing voor mensen met lage basisvaardigheden beter toegankelijk. In de Waterwegregio verbindt De Riverboard onderwijs, overheid en bedrijfsleven om via LLO-perspectief te bieden aan iedere inwoner.
In de komende jaren is het doel om een landelijke, dekkende infrastructuur voor LLO te realiseren. Deze infrastructuur moet bestaan uit samenhangend beleid en voorzieningen die scholing koppelen aan zowel persoonlijke mogelijkheden als regionale arbeidsmarktkansen. Voor het nieuwe kabinet betekent dit een belangrijke rol: het creëren van een arbeidsmarkt waarin mens en markt elkaar vinden. Alleen zo kan werkzekerheid duurzaam worden versterkt en kan de weg worden vrijgemaakt naar een inclusievere arbeidsmarkt.
Sabine Hartman is promovendus aan de Leerstoel HRM & Sociale Zekerheid van Tilburg University
Foto: cottonbro via Pexels.com