Mijn beste uren waren altijd ‘s ochtends: helder, gefocust, productief. Na de lunch daalde mijn energie – eerst subtiel, later structureel. Toch zaten mijn middagen vaak vol met het zwaarste werk: administratie, verslaglegging en digitale afhandeling. Alsof ik mijn brein dwong tot prestaties die het niet meer kon leveren. Minder focus, meer afleiding. En dan de avonden, ooit benutte ik die voor groei of reflectie, maar steeds vaker was ik volkomen leeg.
Uitgeput
Ik werkte jarenlang als arts in de sociale geneeskunde. Toegewijd, verantwoordelijk. Maar ik raakte langzaam uitgeput. De vermoeidheid kroop onder mijn huid.
Vermoeidheid, onrust, moeite om je te blijven voegen in patronen, maar ik praatte er zelden over
Het dagritme ging wringen; het tempo en de structuur sloten steeds minder aan bij wat ik nodig had. Vermoeidheid, onrust, moeite om je te blijven voegen in de vaste patronen, maar ik praatte er zelden over. Ook toen ik instortte, leed ik lang in stilte.
Juist in mijn vak, waarin gezondheid en maatschappelijke structuren elkaar raken, is de spanning tussen systeem en mens steeds zichtbaarder. We spreken over passende zorg, over duurzame inzetbaarheid in theorie — maar zelden over de werkstructuren waarin wijzelf dagelijks functioneren.
We praten veel over burn-out, personeelstekort en wachtlijsten in de GGZ, maar niet of nauwelijks over de structuur van de werkdag zelf. De klassieke werkdag – van negen tot vijf – werd ooit ontworpen voor fabrieksarbeid, niet voor beroepen die voortdurend concentratie, creativiteit en herstel vereisen. Jongeren, zorgverleners, ouderen en herstellenden: ze botsen allemaal botsen op een systeem dat star is en niet meebeweegt.
Onaangepast
Dat het tijd is voor herziening van het systeem en zijn werkritme blijkt uit de cijfers:
- in 2024 kampte ruim 20 procent van de Nederlandse werkenden met burn-outklachten
- slaaptekort kost de Nederlandse economie jaarlijks 3 miljard euro
- sinds 2021 is het aantal bore-outklachten in signaleringsrapportages van bedrijfsartsen vijf keer zo hoog geworden, aldus arbodiensten zoals Arbo Unie
De meeste mensen presteren het best tussen 9.00 en 13.00 uur
We weten intussen veel over wanneer mensen pieken en dippen. De meeste mensen presteren het best tussen 9.00 en 13.00 uur. Daarna daalt het energieniveau, en neemt de kans op fouten en afleiding toe. Toch worden veel middagen nog altijd ingevuld met werk dat piekfocus vraagt, terwijl het lichaam om herstel vraagt.
Mijn voorstel is om de officiële werkdag te laten eindigen om 15.00 uur. De ochtend is bedoeld voor geconcentreerd en doelgericht werk. De middag voor overleg, samenwerking of creativiteit; activiteiten die beter passen bij een open, minder strakke mentale toestand.
Ik bepleit werk dat beter past bij het menselijk ritme
Vanaf 15.00 uur is er ook ruimte voor actief herstel. Niet uitblussen op de bank, maar de energie op een andere manier aanvullen. Voor de één betekent dat beweging of sport, voor de ander verbinding met dierbaren, of juist verdieping: studeren, lezen, reflecteren. Activiteiten die voeden en vernieuwen, waardoor betrokkenheid, vitaliteit en inzet op de lange termijn behouden blijven.
Mijn voorstel komt niet voort uit één individuele ervaring, maar uit wat bekend is over bio-ritmes, werkbelasting en herstelmomenten. Ik bepleit werk dat beter past bij het menselijk ritme.
Essentieel
Een werkdag tot 15.00 uur met ruimte voor flexibele invulling van de uren daarna, is maar één model. Er zijn ook andere patronen denkbaar. Essentieel bij welk model dan ook is het besef dat het werk wordt gestructureerd rond menselijke energie, in plaats van de economische efficiëntie sec als leidraad te nemen.
Niet iedereen piekt op hetzelfde moment. Een klein deel van de mensen, vaak de avondtypes, komt later op gang, met een focuspiek in de tweede helft van de middag. Voor hen kan de ruimte tussen 15.00 uur en 17.00 uur gelegenheid bieden om door te pakken terwijl anderen juist afronden of herstellen.
Hoopvol
De vakbond CNV pleit actief voor een 30-urige werkweek met behoud van salaris, als oplossing voor structureel hoge burn-out- en stresscijfers. Uit eigen onderzoek van het CNV blijkt dat 58 procent van de Nederlanders hier open voor staat, terwijl 71 procent een betere balans verwacht en 54 procent denkt dat dit bijdraagt aan gezonder tot pensioen werken.
Werk is geen wedstrijd in uithoudingsvermogen
Ook vakbond FNV signaleert deze behoefte. In een landelijke peiling van het FNV uit april 2025 gaf 74 procent van de werkenden aan een vierdaagse werkweek haalbaar te vinden in hun sector. Ruim 70 procent verwacht er gelukkiger van te worden, en meer dan de helft denkt dat het helpt om gezonder het pensioen te halen⁸. De FNV pleit daarom voor een 32-urige werkweek met behoud van loon, en probeert dit via cao’s te realiseren.
Pilots in onder anderen Australië en Nieuw-Zeeland laten zien dat kortere werkweken gepaard gaan met 44 procent minder ziekteverzuim, hogere betrokkenheid en zelfs omzetgroei. Een voorbeeld dichter bij huis: in IJsland draaiden overheidsorganisaties tussen 2015 en 2019 pilotprojecten met een 35-urige werkweek. De uitkomsten waren hoopvol: meer balans, gelijke of zelfs hogere productiviteit, en geen loonverlies.
Werk hoort geen wedstrijd in uithoudingsvermogen te zijn. Het is veeleer een puzzel van ritme, herstel en betekenis. Wat we nodig hebben, is een systeem dat het beste uit mensen haalt, niet door méér van ze te vragen, maar door op het juiste moment het juiste van ze te vragen.
Misschien is het tijd. Niet voor revolutie, maar voor herziening zodat je na een dag werken thuiskomt en denkt: dit is zinvol en zo wil ik morgen weer beginnen.
Farida Ben Moussa is sociaal geneeskundige en schrijver. Ze onderzoekt in haar werk de raakvlakken tussen zorg, herstel en maatschappelijke structuur. Zelf herstelt zij van een langdurige burn-out.
Foto: Andrea Piacquadio via Pexels.com