In haar recent vertaalde boek Over onrecht (2024) concludeert Judith Shklar (Faces of Injustice, 1990) dat de politieke filosofie – in tegenstelling tot literatuur – het thema van onrechtvaardigheid te veel mijdt in de zoektocht naar algemene regels voor rechtvaardigheid. De Westerse politieke filosofie gaat volgens haar vooral uit van het toepassen van abstracte, algemene regels voor een rechtvaardige samenleving.
Onrecht komt in werkelijkheid vaak structureel en alledaags voor
Deze focus wekt de indruk dat onrecht een uitzondering is, terwijl het in werkelijkheid vaak structureel en alledaags voorkomt. Zij verwerpt de algemene regels in het, wat zij noemt, ‘normale model van rechtvaardigheid’ niet, maar bekritiseert de ‘zelfgenoegzame’ manier waarop dit model met onrecht omgaat.
Volgens Shklar hebben we te veel vertrouwen in het vermogen van zulke systemen om onrecht te voorkomen of op te lossen. In werkelijkheid doen de meeste onrechtvaardigheden zich juist voor in normale tijden, binnen functionerende instituties zoals het rechtssysteem.
Een strategie om dat in stand te houden, is onrecht afdoen als ‘tegenslag’ of ‘eigen schuld’
We zijn geneigd te geloven in een rechtvaardige wereld om ons veilig te voelen. In de sociale psychologie staat dit bekend als de just-world hypothese. Een van de strategieën om dat geloof in stand te houden, is het afdoen van onrecht als ‘tegenslag’ of ‘eigen schuld’, iets wat mensen in armoede vaak internaliseren.
Onrecht als uitgangspunt
Shklar pleit voor een analyse die niet begint bij algemene regels voor rechtvaardigheid, maar bij de ervaring van onrecht: uitsluiting, vernedering, het falen van instituties en de machteloosheid die daarmee gepaard kan gaan. Zij laat zich hierin inspireren door de Franse filosoof Michel de Montaigne (1533-1592), die stelt dat ervaringen persoonlijk zijn en niet onder woorden te brengen in algemene regels. Wanneer we te veel op deze regels vertrouwen, worden we te zeker van ons beoordelingsvermogen.
Onrecht ontstaat ook wanneer we ons afwenden van onrechtvaardigheden
Judith Shklar stelt dat we pas kunnen beoordelen of er sprake is van onrecht of tegenslag wanneer we luisteren naar de ervaringen van mensen zelf. Onrecht ontstaat niet alleen wanneer regels actief worden geschonden, maar ook wanneer we ons afwenden van onrechtvaardigheden, ook al zijn we er niet direct verantwoordelijk voor.
Stilzwijgend toekijken
Een van Shklars meest originele bijdragen aan de politieke filosofie is haar concept van passieve onrechtvaardigheid: het onrecht dat voortkomt uit onverschilligheid, bureaucratische traagheid en het nalaten van handelen wanneer dat nodig is. Voor mensen in armoede is dit een herkenbare realiteit.
Juist dat gevoel van onrecht moeten we serieus nemen, volgens Shklar
Dit type onrecht is moeilijk te vatten in enkel juridische termen, omdat het gevoeld wordt door degenen die het ondergaan. Juist dat gevoel van onrecht moeten we serieus nemen, volgens Shklar.
Ze verwijst in haar werk naar de Romeinse denker Cicero (106 - 43 voor Christus), die passieve onrechtvaardigheid beschouwde als een tekortkoming in burgerschap. In een democratie hebben burgers een publieke verantwoordelijkheid om niet onverschillig te zijn. Shklar waarschuwt dat onrecht niet alleen ontstaat door actieve overtredingen, maar ook door het stilzwijgende toekijken van mensen die beter zouden moeten weten.
Politici en ambtenaren mogen niet vervallen in persoonlijke machteloosheid of zich verschuilen achter ‘noodzakelijkheid’
Daarin is ze bijzonder kritisch op politici en ambtenaren die nalaten om maatschappelijke en natuurlijke rampen te verzachten. Politiek is een wereld van keuzes, aldus Shklar. Politici en ambtenaren mogen niet vervallen in persoonlijke machteloosheid of zich verschuilen achter ‘noodzakelijkheid’.
Niet verheven boven politieke oordeelsvorming
Shklar kijkt kritisch naar claims van noodzakelijkheid die ook een manier kunnen zijn om (institutioneel) onrecht te vergoelijken of maskeren. Wanneer ze noodzakelijkheid onderzoekt in redeneringen van de vrije markteconomie schrijft ze dat de mogelijk kwalijke effecten ervan niet verheven zijn boven politieke oordeelsvorming. Ze kunnen en moeten onderzocht worden op onrechtvaardigheid of onveranderbare tegenslagen.
Een uitgavenpost vormt geen onmogelijkheid’, schrijft Shklar
‘Sommige zijn wellicht een gevolg van passieve onrechtvaardigheid of liggen op zijn minst niet buiten menselijke controle; sommige zijn misschien te moeilijk of te duur om te veranderen, maar een uitgavenpost vormt geen onmogelijkheid’, schrijft Shklar (2024, p. 107).
Deze gedachte is bijzonder relevant wanneer we kijken naar hedendaagse voorbeelden zoals de toeslagenaffaire, de uitbuiting van arbeidsmigranten of de groeiende groep mensen die noodgedwongen op straat of in hun auto overnacht. In al deze gevallen beroept de overheid zich vaak op ‘noodzakelijkheid’ – zoals systeemfouten of krapte op de woningmarkt. Deze redeneringen van noodzakelijkheid zien we ook in oud-minister Fabers argumenten voor de noodwet voor ‘het strengste asielbeleid ooit’.
De gevolgen van deze politiek zijn diep menselijk en raken aan bestaanszekerheid
De gevolgen van deze politiek zijn voor de betrokkenen diep menselijk en raken aan hun bestaanszekerheid. Hoewel het niet altijd zo gemakkelijk te bepalen is wat onrecht is en wat tegenslag, waarschuwt Shklar ervoor om niet te snel conclusies te trekken.
Tegenslag is onrecht wanneer we lijden kunnen verzachten door menselijk handelen. Wanneer we dat nalaten, kwalificeert Shklar dat als ‘passieve onrechtvaardigheid’. Zelfs als een claim van onrecht mogelijk ongegrond lijkt, verdient het volgens haar onze serieuze aandacht.
Wie bepaalt legitimiteit van armoede als onrecht?
De aandacht voor ervaringen van mensen in armoede is aan het groeien. Ervaringsdeskundigen cultiveren ervaringskennis en zijn in staat die kennis door te geven aan anderen. Tegen deze achtergrond kunnen we Shklars (2024, p. 64 - 65) observatie voor een deel nuanceren:
‘Mensen die zich inzetten voor de politieke zaak van de verworpenen van de aarde, hebben vaak zelf niet te lijden onder een persoonlijk gevoel van onrecht. Dergelijke politieke actoren die ervoor kiezen om zich te identificeren met slachtoffers, handelen zoals zij geloven dat die laatsten zouden moeten doen; je zou kunnen zeggen dat ze stand-ins worden van krachteloos gemaakte slachtoffers.’
Een legitiem gevoel van onrecht lijkt soms voorbehouden aan degenen naar wie we willen luisteren
Ondanks dat we meer aandacht hebben voor ervaringskennis over armoede lijkt een legitiem gevoel van onrecht soms nog voorbehouden aan degenen naar wie we willen luisteren. Of aan degenen die over middelen beschikken om gehoord te worden. Voor mensen in armoede zijn die zeer beperkt.
Judith Shklar stelt daarbij kritische vragen. Wie bepaalt eigenlijk welke groepen het recht hebben om onrecht te ervaren en te benoemen? En hoe verandert dat wanneer maatschappelijke verhoudingen of ideologische opvattingen verschuiven?
Beste bescherming tegen onderdrukking
Shklar positioneert haar werk als een correctie op de abstractie van veel rechtvaardigheidstheorieën, die volgens haar te weinig oog hebben voor onrecht. We moeten blijven zoeken, stelt ze, want een gevoel van onrecht is in hoge mate politiek en onze beste bescherming tegen onderdrukking.
Tot op heden is er weinig tot geen expliciete koppeling gemaakt tussen haar werk en de positie van ervaringskennis in armoedebestrijding. Maar wie Shklar leest, kan zomaar gaan nadenken over de rol van ervaringskennis in politieke en maatschappelijke praktijken: hoe fundamenteel is dat?
Hanneke van Lieshout is docent bij Fontys Ervaringsdeskundigheid in Zorg en Welzijn en Social Work. Eerder deed zij onderzoek naar hoe een dialoog over een roman kan bijdragen aan een dieper begrip van armoede en sociale uitsluiting.
Judith N. Shklar (2024). Over onrecht, 185 pagina’s. ISVW Uitgevers. (Shklar (1990). Faces of Injustice. Yale University Press).
