Sociale wetenschappers zijn betrekkelijk goed in het heroverwegen van hun conceptuele kaders en theorieën. Op socialevraagstukken.nl betoogde Jaco Dagevos bijvoorbeeld dat ‘de houdbaarheid van het begrip integratie is verstreken’. Volgens hem is er een andere wetenschappelijke taal nodig, omdat ‘het integratieframe’ niet neutraal is, maar actief bijdraagt aan de uitsluiting van groepen in de Nederlandse samenleving.
Er bestaat minder discussie over een nog iets fundamentelere soort sociaalwetenschappelijke taal, die uitdrukt hoe wetenschappelijke kennis over de samenleving tot stand komt en wat die betekent. Voorbeelden van zulke fundamentele, maar zelden bevraagde sociaalwetenschappelijke begrippen zijn theorie, bewijs, data, en vooral feit.
Feiten lijken zekerheid te bieden, maar in de praktijk leiden ze juist vaak tot verwarring
Met deze bijdrage wil ik stilstaan bij de betekenis en het nut van ‘feiten’ in de sociale wetenschappen. Al bijna tien jaar doe ik onderzoek naar de geschiedenis en filosofie van dit ogenschijnlijk zo simpele, maar in werkelijkheid zeer ambigue begrip.1 Feiten lijken zekerheid te bieden, maar in de praktijk leidt het gebruik van het woord juist vaak tot verwarring.
Het is mijn overtuiging dat meer helderheid over de betekenis en rol van feiten in de bestudering van de samenleving niet alleen academisch vruchtbaar is, maar ook de relatie tussen sociale wetenschappen en diezelfde samenleving kan versterken.
Feiten en migratie
Dat het begrip ‘feit’ verrassend ambigu is, blijkt wel uit de voortdurende controverse rondom ‘feitelijke’ kennis over migratie in Nederland. In dit discours gaat het heel vaak over feiten, maar wordt hier steeds weer net wat anders mee bedoeld, waardoor er langs elkaar heen wordt gepraat.
Mede doordat De Haas en Lucassen feitelijkheid op deze smalle manier opvatten, ontstond frictie
Toen wiskundige en antropoloog Jan van de Beek eind vorig jaar zijn boek Migratiemagneet Nederland. Mythen, feiten, oplossingen publiceerde en hierover geïnterviewd werd in de Volkskrant, reageerden sociale wetenschappers en migratie-experts Hein de Haas en Leo Lucassen in diezelfde krant door ‘het feitelijke gehalte van een aantal van zijn uitspraken te toetsen’.
Daarbij reduceerden ze de betekenis van feiten tot cijfers. Mede doordat De Haas en Lucassen feitelijkheid op deze smalle manier opvatten, ontstond frictie: Van de Beek hanteert juist een bredere definitie, zoals blijkt uit de uitgeverstekst van zijn boek, waarin wordt aangekondigd dat hij ‘de feiten en de cijfers’ levert.
Toen het boek van Van de Beek de Nederlandse politiek bereikte, werd de definitie van feitelijkheid nog verder opgerekt. Zo roemde de PVV-migratiewoordvoerder het werk met de volgende woorden: ‘Daar staan gewoon alleen maar feiten in’ (NRC).
Die meerduidigheid staat een vruchtbare dialoog over wat betrouwbare kennis is in de weg
Beide partijen in het debat over migratie claimden dus de feiten aan hun kant te hebben, maar bedoelden daar iets heel specifieks mee (De Haas en Lucassen) of maakten überhaupt niet duidelijk wat zij ermee bedoelden (Van de Beek). Die meerduidigheid over wat feiten zijn, of eigenlijk het gebrek aan erkenning daarvan, staat een vruchtbare dialoog over wat betrouwbare kennis is in de weg.
Uitvinding van het begrip ‘feit’
Lang voordat de sociale wetenschappen bestonden, vonden vroegmoderne rechters en historici het begrip ‘feit’ uit om een gebeurtenis of handeling mee aan te duiden waarvan de werkelijkheid ter discussie stond. Op basis van empirisch onderzoek met behulp van betrouwbare bronnen en getuigen probeerden zij vast te stellen of een ‘feit’ werkelijk had plaatsgevonden. Met andere woorden, of het wel of niet waar was.
Door de eeuwen heen heeft deze vrije nauwe, specifieke betekenis van het ‘feit’ plaatsgemaakt voor een veelvoud aan nieuwe betekenissen, afhankelijk van de context waarin het woord gebruikt werd.
‘Sociale feiten’ van Durkheim
Een belangrijk ijkpunt om te begrijpen welke betekenis wordt toegekend aan sociaalwetenschappelijke feiten ligt in de late negentiende eeuw, toen grondlegger van de sociologie Émile Durkheim over het ‘sociale feit’ (fait social) begon te schrijven.2
Durkheim omschreef sociale feiten als collectieve manieren van handelen, denken en voelen die een dwingende invloed uitoefenen op het individu. Zulke feiten kunnen zich uitdrukken in expliciete verschijnselen zoals wetten, religieuze dogma’s of financiële systemen, maar ook in subtielere vormen zoals de gedeelde overtuigingen of gewoonten van een bepaalde groep.
Durkheim zag statistieken niet als feiten, maar als hulpmiddelen om de sociale werkelijkheid te begrijpen
Durkheim beschouwde feiten dus niet als de uitkomst van wetenschappelijk onderzoek, maar juist als datgene wat de wetenschap moest bestuderen. En hoewel hij erkende dat sociale feiten zich konden uitdrukken in statistische regelmatigheden, zag hij die statistieken zelf niet als feiten, maar als hulpmiddelen om de sociale werkelijkheid, de feiten, te begrijpen.
Durkheim voelde nog de behoefte om heel expliciet te zijn over wat een sociaal feit precies was, al merkte hij ook al op dat ‘de term zonder veel precisie wordt gebruikt’.
Expliciete discussie nam af
Gedurende de twintigste eeuw nam zulke expliciete discussie over wat een feit precies is nog verder af. Daarbij werd de definitie van het feit ongemerkt steeds verder opgerekt. Zelfs wetenschapssociologen en -antropologen zoals Bruno Latour en Steve Woolgar, die onderzochten hoe wetenschappelijke feiten tot stand komen, stonden niet stil bij de vraag wat een feit precies is.
Tegenwoordig zien we dat allerlei verschillende definities door elkaar heen gebruikt worden
Tegenwoordig zien we dat allerlei verschillende definities door elkaar heen gebruikt worden, binnen de sociale wetenschappen, maar zeker ook daarbuiten. Zo zien we een gelijkstelling aan een veel bredere notie van ‘dat wat klopt’ of worden feiten geassocieerd met cijfers en statistische gegevens. En terwijl sommigen menen dat feiten voor zich spreken, pleiten anderen ervoor dat feiten worden gezien als het resultaat van onderzoek.
Meer precisie en nuance
Wat moeten we met het inzicht dat sociaalwetenschappelijke feiten minder vanzelfsprekend zijn dan vaak wordt aangenomen? Betekent dit dat de houdbaarheid van het begrip feit, net als van het begrip integratie, is verstreken? Ik denk van niet.
Sociale wetenschappers zouden er goed aan doen om te verduidelijken waar ze het precies over hebben
Een open gesprek over 'feiten' biedt in principe een uitgelezen mogelijkheid om onderscheid te maken tussen wat wel en geen betrouwbare kennis is. Maar het discours over feiten verdient wel meer precisie en nuance.
Omdat mensen allerlei associaties hebben bij wat een feit is en de betekenis ervan allesbehalve eenduidig is, zouden sociale wetenschappers er goed aan doen om te verduidelijken waar ze het precies over hebben als ze een beroep doen op ‘feiten’. Zijn dat cijfers of gebeurtenissen, zijn het interpretaties of wetmatigheden, en bestaan ze op zichzelf of zijn ze het resultaat van onderzoek?
Wie ruimte maakt voor discussie over wat een feit precies is – nog los van hoe het tot stand komt – kan bijdragen aan een beter beeld van hoe kennis over bijvoorbeeld migratie tot stand komt en in hoeverre die betrouwbaar is. Zulke kritische reflectie op en transparantie over sociaalwetenschappelijke kennis is belangrijk om de band tussen wetenschap en samenleving te versterken. Het alomtegenwoordige begrip feit hoeft daarvoor niet te worden afgeschaft, maar moet wél beter begrepen en nauwkeuriger omschreven worden.
Sjang ten Hagen is wetenschapshistoricus en -filosoof. Hij werkt als universitair docent Liberal Arts and Sciences aan de Universiteit Utrecht.
Noten
- Zie bijvoorbeeld dit artikel, en deze Delen van deze bijdrage zijn gebaseerd op een lezing die ik eerder dit jaar gaf bij Studium Generale in Utrecht.
- Het volgende is gebaseerd op het eerste hoofdstuk van Durkheims Les Règles de la méthode sociologique uit 1894, getiteld Qu'est-ce qu'un fait social? (wat is een sociaal feit?).
Foto: corinne glaziou (Flickr Creative Commons)