Onder- of overwaardering van ervaringskennis leidt tot onrecht

De kennis van ervaringsdeskundigen wordt niet altijd op zijn juiste merites beschouwd, zegt Josine Steenvoorde, docent-onderzoeker aan Hogeschool Inholland. Er is zowel onderwaardering als overwaardering voor hun inbreng. Epistemisch onrecht is het gevolg.

In reactie op een artikel over de spreidstandburger, schreef Saskia Keuzenkamp onlangs dat er in samenwerking met ervaringsdeskundigen meer aandacht moet zijn voor epistemische onrechtvaardigheid.

Schuren

De theorie over deze vorm van onrechtvaardigheid, ontwikkeld door de Britse filosoof Miranda Fricker, verklaart waarom we de kennis van de ander minder waarde toekennen en niet serieus nemen. Dat gebeurt bijvoorbeeld in de samenwerking tussen spreidstandburgers en beleidsmedewerkers in het werkveld zelf.

Al eerder betoogde ik dat het behoorlijk kan schuren in de samenwerking tussen ervaringsdeskundigen en sociaal werkers. Inzichten over en weer worden niet serieus worden genomen of juist overschat. De Beer et al wijzen erop dat de leden van deze of gene groep soms pretenderen dat alleen zij weten wat nodig is om de ander te helpen. Ze hebben last van een white knight syndrome.

Overschatting van ervaringsdeskundigen leidt tot onderschatting van sociaal werkers

Zowel de onderwaardering van andermans inbreng (credibilty deficit) als de overwaardering ervan (credibility excess) doen onrecht aan de kennisgever. Door bijvoorbeeld ervaringskennis minder te waarderen, wat in de praktijk nogal eens gebeurt, krijgt de ervaringsdeskundige niet de eer die hij verdient.

Maar ook als de kennis van de ervaringsdeskundige wordt overgewaardeerd, als deze gezien wordt als alwetende, wordt hem of haar onrecht aangedaan. De ervaringsdeskundige voelt voortdurend de druk om overal antwoord op te hebben, met stress en uitval op de werkvloer tot gevolg. Bovendien: overschatting van ervaringsdeskundigen leidt tot onderschatting van sociaal werkers.

Status

De grote vraag is waardoor het exces en het tekort in waardering wordt veroorzaakt. Het is goed mogelijk dat dit te maken heeft met de status van de inbrenger. Wetenschappelijke kennis geniet vaak aanzien, de ervaringskennis nog te vaak niet of veel minder. Overigens is er een dusdanig snelle groei in waardering van ervaringskennis, dat het omgekeerde dreigt: overwaardering. Het lijkt alsof we alleen kunnen kiezen voor complete omarming of diskwalificatie van ervaringskennis. Of een dergelijke houding een constructieve samenwerking bevordert, valt te betwijfelen.

Moeten we elk beroep op kennis serieus nemen? Nee, gelukkig niet

Vooroordelen en aannames over de kennisbrenger vormen sleutelelementen in de theorie over epistemische onrechtvaardigheid. We hebben het dan over het bij voorbaat devalueren van kennis omdat de brenger ervan een Fries accent heeft, blond haar of fysieke beperking. Dingen die niets te maken hebben met de kennis op zich, maar bij de ontvanger kennelijk iets oproepen waardoor hij niet luistert naar wat de kennisbrenger vertelt of diens inbreng geheel of gedeeltelijk terzijde schuift.

Moeten we elk beroep op kennis serieus nemen? Nee, gelukkig niet. Dat moeten we alleen doen, als er sprake is van interpersoonlijk contact en als er geen duidelijke reden is om te twijfelen aan de kennis van iemand over een bepaald onderwerp. Als een glazenwasser een sterrenkundige gaat uitleggen hoe het heelal in elkaar steekt, vindt er geen epistemisch onrecht plaats als de sterrenkundige de inbreng van de glazenwasser minder serieus neemt. De sterrenkundige mag veronderstellen dat hij er zelf meer van weet. Dat is helemaal niet erg: ieder zijn vak tenslotte.

Verschil?

Terug naar de samenwerking tussen sociaal werkers en ervaringsdeskundigen, waarom schuurt het daarin? En kan de theorie van epistemische onrechtvaardigheid dit afdoende verklaren? De kennisoverdracht tussen ervaringsdeskundigen en sociaal werkers is immers een ander verhaal dan dat van de glazenwasser en de sterrenkundige over het heelal.

Bovendien is de vraag in hoeverre hun gebruik van kennisbronnen echt anders is

Sociaal werkers en ervaringsdeskundigen werken misschien wel vanuit verschillende kennisbronnen, maar zó verschillend is hun kennis nu ook weer niet. Bovendien is de vraag in hoeverre hun gebruik van kennisbronnen echt anders is. De sociaal werker put immers ook uit eigen ervaringen, en ook de ervaringsdeskundige bezit theoretische kennis. Er is dus weinig reden om aan te nemen dat de een minder kennis heeft dan de ander.

Is het verschil in status, zoals Keuzekamp stelt, de oorzaak voor de over- of onderschatting van wetenschappelijke dan wel ervaringskennis? In het sociaal domein lijkt dit, op de werkvloer althans, niet zo te zijn, maar helemaal zeker weten doen we dat niet. Uit zowel theorie als praktijk blijkt dat er over-en-weer aannames en vooroordelen zijn. Als werkers in het sociaal domein daar niet voldoende op zijn beducht, ligt epistemisch onrecht voor de hand...

Het is met andere woorden belangrijk om telkens vast te stellen wat er in de praktijk gebeurt tussen de verschillende groepen werkers. Hoe zien ervaringsdeskundigen en sociaal werkers elkaar? Is er sprake van een statusverschil en hoe beïnvloedt dat de onderlinge verhoudingen en werkrelaties? Antwoord op al deze vragen moet komen van onderzoek. Dit om het bestaande epistemische onrecht terug te dringen en om nieuw onrecht te voorkomen.

Josine Steenvoorde is docent-onderzoeker aan Hogeschool Inholland. Zij doet promotieonderzoek naar epistemisch onrecht

 

Foto: Ben (Flickr Creative Commons)

Reacties 3

  1. Goed stuk – epistemisch onrecht is ee
    belangrijk fenomeen dat meer aandacht verdiend. Echter, het gebrek aan status van ervaringskennis hangt deels samen met de vaagheid er van: het is helemaal niet duidelijk wat ervaringskennis PRECIES is. Dat vinden professionals (Leemeijer 2024), onderzoekers (Castro et al. 2019; Halloy et al 2022; Dings en Tekin 2023) managers en beleidsmakers (Roenfeld en Byrne 2023) maar ook veel ervaringsdeskundigen zelf (Rowland et al 2023). Doordat het niet altijd duidelijk is óf en welke kennis er (precies) op het spel staat, is het ook vaak niet mogelijk om te beoordelen of er echt sprake is van epistemisch onrecht. Wanneer we over ervaringskennis in algemene en niet-precieze termen blijven spreken is er een risico dat we fenomenen te snel als epistemisch onrecht bestempelen.

    (NB: in een nieuw onderzoeksproject ism de verhalenboek psychiatrie van het UMC Utrecht proberen we juist om het concept ervaringskennis te verhelderen, en daarmee beoordelingen van epistemisch onrecht meer valide te maken)

  2. Bij de agogische wetenschappen werd in het verre verleden al onderscheid gemaakt tussen ’theorie (agologie)’ en ‘praktijktheorie’ (agogiek). Bij theorie gaat het dan om tot wetenschappelijk bewijsvoering te komen middels wetenschappelijk onderzoek betreffende sociale problemen.
    Het agogisch handelen dient op deze wijze een wetenschappelijke grondslag te krijgen maar kan nooit de praktijk ervaring vervangen.
    Daartoe dient de ‘praktijktheorie’ die vanuit het noodzakelijke handelen bij agogische actie voortkomt.
    Deze praktijk kennis is vergelijkbaar zoals dat bijvoorbeeld bij het medische handelen voorkomt: er dient bij een acute situatie gehandeld te worden. Hiervoor worden en zijn allerlei vaardigheden ontwikkeld om dit te kunnen te doen. Van epistemisch onrecht kan hierbij moeilijk gesproken worden omdat hier over de taakstelling geen meningsverschil bestaat.
    Er kan wel verschil in ervaringskennis bestaan tussen zowel behandelaar als patiënt c.q. cliënt.
    Het is dan goed hierover te kunnen communiceren dit om een mogelijke schijntegenstelling in belangen te voorkomen. Uiteindelijk kan wetenschappelijke kennis nooit het handelen in de praktijk vervangen.

  3. In dit artikel wordt specifiek ingegaan op de mogelijke over- en onderwaardering van ervaringskennis en op de mogelijke over- en onderwaardering van ervaringsdeskundigen. Dat zijn twee verschillende zaken. Van Steenvoorde stelt dat er door de snelle groei van de waardering van ervaringskennis er ‘overwaardering’ dreigt. Zij onderbouwt dat met gedrag van ervaringsdeskundigen die zich als allesweter opstellen en de macht dreigen over te nemen in veld van het sociaal werk. Sociaal werkers zouden min of meer gedwongen worden tussen tussen ‘complete omarming of diskwalificatie’. Zij driegen iets te verliezen.
    Onder- en overwaardering komt zeker voor, zoals dat ook vóórkomt bij wetenschappelijke en professionele kennis. In de praktijk zien we dat er nog veel moeite is om in beleid ervaringskennis voldoende te betrekken. Kennis uit de tweede hand ‘over’ een probleem is niet zo moeilijk te verkrijgen, maar kennis ‘vanuit’ een situatie, doorleefde kennis van ‘binnen uit’ wel. Tim S Jongers geeft daar veel voorbeelden van op het gebeid van armoedebestrijding. In de praktijk zien we dat ervaringskennis nog altijd een lagere status heeft dan wetenschappelijke kennis (zie bijvoorbeeld het proefschrift van Auke Leemeijer). We zien dat ook terug in kenniswerkplaatsen en projecten in ons onderzoek.
    Een ander verhaal is de toepassing van ervaringskennis door ervaringsdeskundigen. Het is niet duidelijk of van Steenvoorde doelt op professionele ervaringsdeskundigen als zij meent dat sommigen zich als ‘alwetend’ presenteren. Uiteraard zullen er – zoals in elk beroep- beroepsbeoefenaren zijn die moeite hebben met het in perspectief zien van hun kennis en kunde. In hoeverre dat vooral gebeurt bij het beroep van de ervaringsdeskundige is niet duidelijk, en wordt ook niet onderbouwd. In het beroepscompetentieprofiel Ervaringsdeskundigheid is het gepast relateren van ervaringskennis aan professionele en wetenschappelijke kennis één van de zes kenmerkende beroepssituaties waar ervaringsdeskundigen extra alert op moeten zijn.
    Het is jammer dat van Steenvoorde haar opvattingen niet onderbouwt en een zwart-wit-situatie schetst of opleiders en trainers van ervaringsdeskundigen structureel enorm falen in het afleveren van capabele ervaringsdeskundigen die hun plek weten. Wat wél duidelijk is in de praktijk, is dat er vaak karikaturen worden gemaakt van ervaringsdeskundigen, bijvoorbeeld dat zij vaker uitvallen dan hun collega’s. Dit lijkt in sommige organisaties het geval, in andere helemaal niet. Dit is nog onvoldoende onderzocht. Het is ook onduidelijk of het hierbij gaat om goed opgeleide professionele ervaringsdeskundigen of vrijwilligers of slecht betaalde ervaringsdeskundigen die ongetraind zijn.
    Van Steenvoorde vraagt zich verder af of het ‘gebruik’ van kennisbronnen door ervaringsdeskundigen ‘echt anders’ is dan van sociaal werkers. Ook hier mist zij het cruciale punt ervaringsdeskundigen een extra bron van kennis inbrengen. En ook hierin is nuance nodig: 15% van de professionele ervaringsdeskundigen is inmiddels een zogenaamde ZME, een zorgprofessional-met-ervaringsdeskundigheid. Dat zijn meestal sociaal werkers met eigen ervaringen met ontwrichting en herstel die een nascholing hebben gevolgd in het passend leren benutten van ervaringskennis.
    Het sociaal werk heeft doorleefde kennis van het (over)leven in situaties van ontwrichting en maatschappelijk onrecht hard nodig. En dan niet uit de tweede hand, maar uit de eerste: van mensen die hier daadwerkelijk in (over)leven. We kunnen de kennis niet genoeg waarderen. De uitglijders in beleid bij onderwaardering zijn vele malen groter dan bij overwaardering, zoals we weten. Dat sommige ervaringsdeskundigen hierin wel eens uitglijden en hun professionaliteit tekort schiet zal zo zijn. Hetzelfde geldt voor sociaal werkers. Het sociaal werk wordt geholpen met het omarmen van ervaringskennis en het constructief en professioneel benutten hiervan. Laten we vooral bespreken hoe we dat kunnen doen.

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *