In reactie op een artikel over de spreidstandburger, schreef Saskia Keuzenkamp onlangs dat er in samenwerking met ervaringsdeskundigen meer aandacht moet zijn voor epistemische onrechtvaardigheid.
Schuren
De theorie over deze vorm van onrechtvaardigheid, ontwikkeld door de Britse filosoof Miranda Fricker, verklaart waarom we de kennis van de ander minder waarde toekennen en niet serieus nemen. Dat gebeurt bijvoorbeeld in de samenwerking tussen spreidstandburgers en beleidsmedewerkers in het werkveld zelf.
Al eerder betoogde ik dat het behoorlijk kan schuren in de samenwerking tussen ervaringsdeskundigen en sociaal werkers. Inzichten over en weer worden niet serieus worden genomen of juist overschat. De Beer et al wijzen erop dat de leden van deze of gene groep soms pretenderen dat alleen zij weten wat nodig is om de ander te helpen. Ze hebben last van een white knight syndrome.
Overschatting van ervaringsdeskundigen leidt tot onderschatting van sociaal werkers
Zowel de onderwaardering van andermans inbreng (credibilty deficit) als de overwaardering ervan (credibility excess) doen onrecht aan de kennisgever. Door bijvoorbeeld ervaringskennis minder te waarderen, wat in de praktijk nogal eens gebeurt, krijgt de ervaringsdeskundige niet de eer die hij verdient.
Maar ook als de kennis van de ervaringsdeskundige wordt overgewaardeerd, als deze gezien wordt als alwetende, wordt hem of haar onrecht aangedaan. De ervaringsdeskundige voelt voortdurend de druk om overal antwoord op te hebben, met stress en uitval op de werkvloer tot gevolg. Bovendien: overschatting van ervaringsdeskundigen leidt tot onderschatting van sociaal werkers.
Status
De grote vraag is waardoor het exces en het tekort in waardering wordt veroorzaakt. Het is goed mogelijk dat dit te maken heeft met de status van de inbrenger. Wetenschappelijke kennis geniet vaak aanzien, de ervaringskennis nog te vaak niet of veel minder. Overigens is er een dusdanig snelle groei in waardering van ervaringskennis, dat het omgekeerde dreigt: overwaardering. Het lijkt alsof we alleen kunnen kiezen voor complete omarming of diskwalificatie van ervaringskennis. Of een dergelijke houding een constructieve samenwerking bevordert, valt te betwijfelen.
Moeten we elk beroep op kennis serieus nemen? Nee, gelukkig niet
Vooroordelen en aannames over de kennisbrenger vormen sleutelelementen in de theorie over epistemische onrechtvaardigheid. We hebben het dan over het bij voorbaat devalueren van kennis omdat de brenger ervan een Fries accent heeft, blond haar of fysieke beperking. Dingen die niets te maken hebben met de kennis op zich, maar bij de ontvanger kennelijk iets oproepen waardoor hij niet luistert naar wat de kennisbrenger vertelt of diens inbreng geheel of gedeeltelijk terzijde schuift.
Moeten we elk beroep op kennis serieus nemen? Nee, gelukkig niet. Dat moeten we alleen doen, als er sprake is van interpersoonlijk contact en als er geen duidelijke reden is om te twijfelen aan de kennis van iemand over een bepaald onderwerp. Als een glazenwasser een sterrenkundige gaat uitleggen hoe het heelal in elkaar steekt, vindt er geen epistemisch onrecht plaats als de sterrenkundige de inbreng van de glazenwasser minder serieus neemt. De sterrenkundige mag veronderstellen dat hij er zelf meer van weet. Dat is helemaal niet erg: ieder zijn vak tenslotte.
Verschil?
Terug naar de samenwerking tussen sociaal werkers en ervaringsdeskundigen, waarom schuurt het daarin? En kan de theorie van epistemische onrechtvaardigheid dit afdoende verklaren? De kennisoverdracht tussen ervaringsdeskundigen en sociaal werkers is immers een ander verhaal dan dat van de glazenwasser en de sterrenkundige over het heelal.
Bovendien is de vraag in hoeverre hun gebruik van kennisbronnen echt anders is
Sociaal werkers en ervaringsdeskundigen werken misschien wel vanuit verschillende kennisbronnen, maar zó verschillend is hun kennis nu ook weer niet. Bovendien is de vraag in hoeverre hun gebruik van kennisbronnen echt anders is. De sociaal werker put immers ook uit eigen ervaringen, en ook de ervaringsdeskundige bezit theoretische kennis. Er is dus weinig reden om aan te nemen dat de een minder kennis heeft dan de ander.
Is het verschil in status, zoals Keuzekamp stelt, de oorzaak voor de over- of onderschatting van wetenschappelijke dan wel ervaringskennis? In het sociaal domein lijkt dit, op de werkvloer althans, niet zo te zijn, maar helemaal zeker weten doen we dat niet. Uit zowel theorie als praktijk blijkt dat er over-en-weer aannames en vooroordelen zijn. Als werkers in het sociaal domein daar niet voldoende op zijn beducht, ligt epistemisch onrecht voor de hand...
Het is met andere woorden belangrijk om telkens vast te stellen wat er in de praktijk gebeurt tussen de verschillende groepen werkers. Hoe zien ervaringsdeskundigen en sociaal werkers elkaar? Is er sprake van een statusverschil en hoe beïnvloedt dat de onderlinge verhoudingen en werkrelaties? Antwoord op al deze vragen moet komen van onderzoek. Dit om het bestaande epistemische onrecht terug te dringen en om nieuw onrecht te voorkomen.
Josine Steenvoorde is docent-onderzoeker aan Hogeschool Inholland. Zij doet promotieonderzoek naar epistemisch onrecht
Foto: Ben (Flickr Creative Commons)