In mei 2024 concludeerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat het sociaal domein meer kennis en continuïteit behoeft. Ard Sprinkhuizen onderschrijft de analyse en de conclusie van de WRR. Volgens hem heeft ‘het gefragmenteerde karakter van het sociaal domein geleid tot grote verscheidenheid. Het kent daardoor geen gezamenlijk perspectief, laat staan een gemeenschappelijke strategie om kennis te vergaren.’
Eenheid ontbreekt
Deze kritiek op het sociaal domein is niet nieuw. Ruim tien jaar geleden vond de Gezondheidsraad dat de sector een meer solide kennisbasis nodig had. Het adviesorgaan raadde de branche toentertijd aan om de rijen te sluiten en één verhaal te construeren. Sprinkhuizen: ‘Het advies heeft nauwelijks opvolging gekregen. Integendeel zelfs, organisaties zijn elkaar sindsdien steeds meer als concurrenten gaan zien. Daarnaast geven opleidingen nog steeds ieder op eigen wijze invulling aan het curriculum, en bepalen individuele docenten zelf welke kennis zij aan studenten overdragen. Eenduidigheid ontbreekt ten enenmale.’
| Ard Sprinkhuizen is senior onderzoeker aan Hogeschool Utrecht (HU). Hij is sinds mei 2024 met pseudo-pensioen. Sprinkhuizen rust niet op zijn lauweren. Integendeel, hij is nog steeds actief: bij de HU, als onderzoeker, op een zogenoemd plus-contract, en als activist bij Extinction Rebellion. Hij participeert in grote blokkades (bijvoorbeeld van de A10 en de A12), en organiseert voor Extinction Rebellion Social Work-bijeenkomsten gericht op het verband tussen klimaat, mensenrechten en sociaal werk. Hij is (mede-)auteur van De brede basis van het sociaal werk (2023) en Opgelet! (2013) en is mederedacteur van het Lexicon nabijheid en sociaal werk (2023). |
Het is overigens niet zo dat het sociaal domein helemaal geen vooruitgang heeft geboekt. Er is bijvoorbeeld de inspanning van de beroepsvereniging van professionals in sociaal werk (BPSW) om het aantal fantasienamen – ‘sociaal makelaar’, ‘sociale verbinder’, ‘wijkwerker’, ‘buurtcoach’, ‘impactmanager’, om er maar enkele te noemen – terug te dringen. Ook de sociaal professionals zelf zijn de inflatie aan titulatuur zat. Sprinkhuizen: ‘Laatst zei een Rotterdammer tegen mij: ‘Ik ben maatschappelijk werker en zo wil ik voortaan ook weer genoemd worden.’’
Sprinkhuizen noemt dat een stap vooruit ‘omdat het protest tegen de fantasienamen laat zien dat mensen zich weer identificeren met hun werk. Sociaal werkers willen geen sociaal makelaars genoemd worden. Ze hebben met mensen van doen, niet met huizen.’
Kleine stap
Het beestje bij zijn ware naam noemen, kun je moeilijk een spectaculaire verandering noemen. De vraag is of je überhaupt grote veranderingen of innovaties kunt verwachten van een domein dat er veelal op is gericht om kleine dingen in het leven van mensen te veranderen. Van een sector waarin kennis geleidelijk, over de jaren heen, wordt opgebouwd.
‘Sociaal werkers die virtueel werken, creëren afstand tot mensen met wie ze te maken hebben’
Sprinkhuizen is er sceptisch over. En als er in het domein al is geïnnoveerd de laatste decennia, kun je je afvragen of dat wel zo gewenst was. ‘Over de introductie van online werken bijvoorbeeld, heb ik grote bedenkingen.’
Hij is het volstrekt oneens met de stelling dat het door digitalisering ‘nog nooit zo gemakkelijk is geweest om mensen te bereiken’. Sprinkhuizen: ‘Hoe kun je nou met droge ogen beweren dat je van mens tot mens werkt als er een scherm tussen zit? Het is eerder andersom: sociaal werkers die virtueel werken, creëren afstand tot de mensen met wie ze te maken hebben. Ik ken ze hoor, de professionals die zeggen dat ze in de coronaperiode via het scherm ineens een kijkje bij de mensen thuis kregen. Maar dat hadden ze ook kunnen krijgen als ze zich al die tijd niet achter hun bureau hadden verschanst. Sociaal werk is mensenwerk en gaat over nabijheid. Digitaal werken is schijnnabijheid.
In het sociaal domein is vooral de basiskwaliteit van de sociaal professional van doorslaggevend belang. We moeten, met andere woorden, vooral generalistisch georiënteerde professionals opleiden. Ik doel dan op professionals die zich staande weten te houden op de evenwichtsbalk tussen hulpverlening enerzijds en opbouwwerk anderzijds, en die de individuele vraag aan de collectieve vraag kunnen verbinden.’
Liever verzorgen
Volgens Sprinkhuizen schreeuwt de praktijk om breed opgeleide professionals. ’De vraag is er, maar de opleidingen leveren slechts mondjesmaat generalistisch georiënteerde professionals af. Niet meer dan 10 tot 15 procent van de studenten kiest voor het generalistische profiel. De meerderheid geeft de voorkeur aan het zorgprofiel.’
‘Opleidingen moeten meer ongemak organiseren’
Volgens Sprinkhuizen komt dit doordat dat de meeste studenten graag mensen verzorgen. ‘Ze willen praktische dingen leren om mensen te helpen. In het generalistische profiel zit veel meer een opbouwwerkcomponent. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat een student in het eerste jaar ergens in een buurt moet gaan rondlopen om te zien wat daar gebeurt, welke processen zich er afspelen en welke patronen er te ontdekken zijn. Dat is ongrijpbaar en misschien ook wel eng, zeker als je het fijn vindt om binnen de besloten ruimte van de hogeschool praktische handelingen te leren.
En als je dan iets veiligs in de zorg kan doen, en daar ook nog een registratie als ggz-agoog of jeugdzorgwerker voor krijgt, dan is de keuze makkelijk gemaakt. Opleidingen moeten meer ongemak organiseren.’
Is er een verandering te bespeuren binnen het sociaal domein waar u wel blij van wordt?
‘Een verandering ten goede is de beweging om meer als sociaal werker in de sociale basis te werken. Om preventief zaken af te vangen zodat (zwaardere) zorg later niet nodig is. Welzijn zou het hoofdveld moeten zijn, niet het voorveld dat instrumenteel door en voor de zorg wordt ingezet. Het is jammer dat die beweging nu nog vooral verbaal is, en dat de middelen ervoor grotendeels ontbreken.’
‘Je kan zonder enige pijn het budget, lokaal, in de sociale basis, in preventie verdrievoudigen’
‘Terugkomend op de professionals die de opleidingen afleveren: je kunt wel zeggen dat je meer vanuit de sociale basis wilt doen, maar dan heb je wel mensen nodig die het werken met gemeenschappen in de vingers hebben.’
Om meer vanuit de sociale basis te kunnen werken, moet erin geïnvesteerd worden. Dat gebeurt dus niet. Sterker nog, het voorspelde ravijnjaar in 2026 indachtig is er volgens Sprinkhuizen grote kans dat de sociale basisinfrastructuur in buurten en wijken verder verschraalt. ‘Het is om horendol van te worden: in de (zware) zorg gaat meer dan 110 miljard euro per jaar om. In de sociale basis iets van 3 miljard. Je kan zonder enige pijn het budget, lokaal, in de sociale basis, in preventie verdrievoudigen, zonder dat iemand er last van heeft. Het is een keuzeprobleem. Het is het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dat geen lef toont.
Op de site socialevraagstukken.nl woedt een hele discussie over de vraag of het sociaal werk weer moet gaan politiseren. Is dat een ontwikkeling die u toejuicht?
‘Margot Scholte sprak in haar Marie Kamphuis Lezing (2018) over het structureel oplossen van structurele problemen. Ze noemde dat structuraliseren. Of je het nou politiseren of structuraliseren noemt: het gaat over het aanspreken van beleidsmakers, managers, bestuurders, óók in je eigen organisatie, op zaken die verkeerd lopen in de praktijk. Daartegen moet een sociaal werker in het geweer komen, maar wel volgens het onderscheid dat Hannah Arendt maakte tussen de politiek en het politieke. Politiek is Tweede Kamer, gemeenteraad en politieke partijen. Het politieke daarentegen gaat over het adresseren van de politiek vanuit de samenleving en maatschappelijke organisaties.’
‘Het sociaal domein zou zich moeten spiegelen aan de medische wereld’
‘Dat het sociaal werk zich nu veel meer uitspreekt, zou ik ook een verandering ten goede willen noemen. Sociaal werk is te lang meegegaan in het frame dat het een marktpartij is in een opdrachtgever-opdrachtnemer-relatie met de overheid. Sociaal werk is en hoort een eigen maatschappelijke kracht te zijn, die samen met bewoners optrekt om aan de kwaliteit van de samenleving te bouwen. Daar kan het perspectief van de overheid soms dwars op staan. Sociaal werk moet zich daartegen uitspreken, zeker in sociaal ongure tijden.’
En hoe verhoudt die beweging zich tot studenten die het liefst voor mensen willen zorgen?
‘In principe zou politiseren tot de basiscompetenties van elke sociaal professional moeten behoren.’
U zegt: ‘Zou’. Maar u zegt ook dat studenten liever verzorgen, dat opleidingen studenten vrijlaten in het kiezen van beroepsprofielen en dat organisaties waar afgestudeerden werken zich vooral druk maken om hun gemeentelijke opdrachtgevers tevreden te stellen.
‘Het zou in alle geledingen meer moeten gaan over hoe sociaal werk kan meehelpen de kwaliteit van leven en samenleven te verbeteren. Carla Kolner, programmaleider Samenspel Medisch en Sociaal aan Hogeschool Utrecht, noemt dat in haar proefschrift ‘rechtvaardige preventie’.’
De betrekkelijk zwakke institutionalisering waar de WRR dit voorjaar nog eens op wees, is een sta-in-de-weg voor de versterking van het sociaal domein. Wat stelt u voor als oplossing?
‘Het sociaal domein zou zich moeten spiegelen aan de medische wereld. Daar bestaat een stevig samenspel tussen de brancheorganisaties, beroepsverenigingen, opleidingen en individuele organisaties en een eenduidige body of knowledge. Door elkaars krachten te bundelen, en samen ergens voor te staan, kan het sociaal domein van betekenis zijn in de spannende tijd waarvoor we ons met z’n allen geplaatst zien.’
‘Sociaal professionals gaan ondervinden dat dit kabinet er niet op uit is problemen op te lossen’
De coalitiepartijen PVV, VVD, NSC en BBB verwachten in het regeerakkoord veel van preventie. Ziet u kansen voor een al dan niet krachtiger sociaal domein?
‘Kennisinstituut Movisie was positief over de aandacht voor preventie in het hoofdlijnenakkoord. Of het nu nog zo enthousiast is, na het doorbladeren van de financiële bijlagen, betwijfel ik. Het kabinet-Schoof bezuinigt op zo’n beetje alles wat preventie daadwerkelijk vorm kan geven. Denk daarbij met name aan voorzieningen die mensen bij elkaar brengen. Preventie gaat nota bene over verbinding. Sociaal professionals gaan straks aan den lijve ondervinden dat dit kabinet er helemaal niet op uit is om problemen op te lossen. Sterker nog, aan de talrijke maatschappelijke problemen en de daaruit voortvloeiende polarisatie ontleent het juist zijn bestaansrecht.’
Tijd voor een nieuwe klassenstrijd, zoals de voorzitter van de FNV bepleit?
‘Ik zie vooral een strijd tussen de haves en havenots: een grote verarmende middenklasse tegenover een kleine groep vermogenden die steeds rijker wordt. Een elite, maar niet een waar extreemrechts en het populisme tegen ageren.’
Sociaal werk gaat in wezen over hoop en perspectief, zegt Sprinkhuizen. ‘Werken in het sociaal domein is deels missionair werk, waarin naast geloof ook tijd en geduld vereist zijn. Het gaat niet over spectaculaire veranderingen of innovatie, maar over aan- en doormodderen. En dat moet je maar durven en kunnen.’
Jan van Dam is freelance journalist.
Foto: Jan van Dam