Iedereen heeft wel eens behoefte aan een openbaar toilet, maar dit geldt voor sommigen meer dan anderen. Vooral voor ouderen, kinderen, vrouwen en mensen met een fysieke aandoening of een laag inkomen is het gebrek aan toiletvoorzieningen een grote beperkende factor, niet alleen om hun behoefte te doen, maar ook om zichzelf of hun kind te kunnen verschonen. Hieronder focus ik op twee specifieke doelgroepen: daklozen en mensen met een spijsverteringsziekte.
De strijd van #iederewctelt
Volgens de Toiletalliantie – een samenwerking van onder andere het MDL Fonds en Crohn & Colitis NL – loopt Nederland achter als het gaat om goede toegankelijke toiletvoorzieningen, zowel in steden als natuurgebieden. Wetgeving die lokale overheden verplicht voor voldoende toiletten te zorgen ontbreekt in tegenstelling tot in bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland.
‘Meer toiletten betekent: minder eenzaamheid en sociaal isolement, meer zelfredzaamheid, minder zorgkosten’
Daarom strijdt de Toiletalliantie met #iederewctelt voor een inclusief en toegankelijk Nederland: ‘Meer toiletten betekent: minder eenzaamheid en sociaal isolement, meer zelfredzaamheid, minder zorgkosten (preventie). Maar ook meer gastvrijheid, een aantrekkelijkere (binnen)stad en mensen die langer in een verblijfsgebied blijven hangen.’ Dit doet de alliantie onder andere met de HogeNood-app, de aanleg van natuurtoiletten en met toiletambassadeurs die bij gemeenten en ondernemingen lobbyen voor meer openbare en opengestelde toiletten.
Wildplassen daklozen
Na een jarenlange daling groeit volgens het CBS het aantal daklozen in Nederland. Ook stijgt het aantal boetes dat zij krijgen voor bijvoorbeeld wildplassen of buitenslapen. Dat is bezwaarlijk, want hierdoor komen daklozen alleen maar verder in een vicieuze cirkel van schulden terecht. Daarnaast kunnen zij die boetes niet ontlopen, simpelweg omdat mensen nu eenmaal hun behoeften moeten doen. Wildplassen of wildpoepen is geen keuze als er geen toiletten in de buurt zijn of een toiletbezoek geld kost in de horeca, winkels of bij commerciële aanbieders zoals SANIFAIR.
‘Ik probeer openbare toiletten te gebruiken, maar die zijn vaak erg vies’
Luud Jansma onderzocht onlangs het ruimtelijk gedrag van dakloze EU-migranten in Utrecht (2024). Zij vertelden hem over het belang van toiletten in hun dagelijkse leven, zoals Jakub: ‘Overdag kan ik natuurlijk gebruikmaken van de faciliteiten bij het Leger des Heils, maar er zijn ook zestien uren op een dag dat het gesloten is. Ik houd er altijd rekening mee of er een plek in de buurt is waar ik kan plassen. Ik probeer openbare toiletten te gebruiken, maar die zijn vaak erg vies en soms is er een groep daklozen bijvoorbeeld in Park Lepelenburg die ik vermijd. ‘s Nachts is het nog moeilijker omdat plekken met openbare toiletten niet geschikt zijn om te slapen.’
Daklozen willen zich kunnen wassen
Volgens de dakloze Stanis is een goede hygiëne belangrijk voor zijn eigen welzijn, maar ook hoe mensen hem beoordelen: ‘Het eerste wat ik ‘s ochtends doe is een plek zoeken om me een beetje te wassen, in ieder geval mijn gezicht. Het is heel belangrijk voor me om er schoon uit te zien en mezelf fatsoenlijk te presenteren.
‘Als ik er niet netjes uitzie, word ik nergens aangenomen’
Ten eerste voel ik me dan op mijn gemak, maar als je er vies uitziet hebben mensen ook de neiging om je meer als een dakloze te behandelen. Daarom probeer ik er netjes en schoon uit te zien. Helaas is dat niet altijd mogelijk, omdat ik maar weinig mogelijkheden heb om me te wassen (…). Ik besteed hier veel tijd aan, deels met het oog op het zoeken naar een baan. Als ik er niet netjes uitzie, word ik nergens aangenomen’ (Jansma, 2024).
De toegankelijkheid van openbare sanitaire voorzieningen bepaalt dus in grote mate het ruimtegebruik en welzijn van daklozen. Organisaties zoals het Leger des Heils bieden hulp, bijvoorbeeld om gratis te douchen, maar verder zijn de opties beperkt.
Hoge nood bij spijsverteringsziekten
Ongeveer twee miljoen mensen in Nederland lijden aan een spijsverteringsziekte, zoals de ziekte van Crohn. In zijn boek Hoge nood wordt deugd beschrijft Kris De Prins (2015) hoe dit zijn bewegingsvrijheid beperkt. Regelmatig moet hij onderweg een tussenstop maken, bij een tankstation of in de trein, maar ook tijdens een zondagse wandeling vlak bij huis.
‘Ik weet niet meer wat te doen. Ik haal het sowieso niet meer tot thuis’
‘Veel opener dan dit kun je een woonwijk niet ontwerpen. Er is werkelijk niets dat in aanmerking komt als beschutting. Dit komt niet goed. En die jongens daar, waarom moeten die juist hier zo nodig met de bal aan het spelen zijn? Aan de overkant van de straat staan huizen. Ze hebben tegen hun tuinen nog wat openbaar groen staan. Ik weet niet meer wat te doen. Ik haal het sowieso niet meer tot thuis, vier straten verderop. Bij een van de huizen merk ik dat de struik wat hoger is en een elektriciteitshuisje beschutting biedt. Ik steek de straat over en hurk. Ik hoop dat er nergens een oud vrouwtje achter een gordijn dit tafereel heeft gadegeslagen en zich nu afvraagt wat ik aan het doen ben. Of er net nu politie langskomt.’
Dit zorgt voor veel stress onderweg of zelfs het volledig vermijden om het huis te verlaten
Deze ervaring toont veel overeenkomsten met recent onderzoek naar de dagelijkse mobiliteit van mensen met het prikkelbare darmsyndroom (White, 2021). Ook zij beschrijven de constante zoektocht naar toiletten, de schaamte om in winkels toegang te moeten vragen en de angst dat toiletten bezet, buiten gebruik of gesloten blijken te zijn. Dit zorgt voor veel stress onderweg of zelfs het volledig vermijden om het huis te verlaten. Daarom concludeert White: ‘Toilettoegang is de poortwachter (…) om van de ene plaats naar de andere te komen.’
15-minutenstad
De 15-minutenstad krijgt steeds meer aandacht in beleid en onderzoek. De nadruk ligt echter meestal op toegang tot werk, winkelen, onderwijs en gezondheidszorg op maximaal een kwartier lopen of fietsen. Openbare toiletten worden zelden genoemd, en dat terwijl volgens de Toiletalliantie de helft van mensen met een spijsverteringsziekte slechts vijf minuten heeft om zonder ongelukken een toilet te bereiken.
Zulke normen zijn onvoldoende als deze toiletten niet altijd geopend, gratis en voor iedereen toegankelijk zijn
Daarom suggereren ze als norm een openbaar of opengesteld toilet om de 500 meter op locaties met meer dan tweeduizend voetgangers per dag. Maar zulke normen zijn onvoldoende als niet wordt gekeken of deze toiletten daadwerkelijk altijd geopend, gratis en voor iedereen toegankelijk zijn. Want zoals Pointer het krachtig formuleert: ‘[in een plaszuil] kan niemand een grote boodschap doen.’
Rianne van Melik werkt als universitair hoofddocent bij de afdeling Geografie, Planologie en Milieu (GPM) van de Radboud Universiteit. Ze bestudeert hoe steden en hun ‘openbare’ ruimtes en voorzieningen werken, en wie daar toegang tot en zeggenschap over heeft.
Bronnen
De Prins, K. (2015). Hoge nood wordt deugd. Verhaal van een Crohn-getuige.
Foto: david (Flickr Creative Commons)