Zondagavond keek ik met mijn kinderen naar het verkiezingsdebat van het Jeugdjournaal. In dat debat kreeg Wilders alle ruimte om te vertellen dat hij de islam een gewelddadige religie – of zelfs ideologie – vindt. De presentatrice antwoordde slechts met: ‘Oké, dankjewel.’ Mijn kinderen waren verbaasd: mogen dat soort nare dingen gewoon gezegd worden in het Jeugdjournaal? Wanneer we het eerste artikel van onze Grondwet, dat discriminatie verbiedt, serieus nemen, moeten we eigenlijk concluderen dat de aanpak van het Jeugdjournaal niet de juiste was.
Zeggen dat je tegen de islam bent, maar niet tegen moslims, is onzin
Wilders zegt dat hij niets tegen moslims heeft, maar alleen tegen de islam. Dat is echter onmogelijk. Zoals ik samen met mijn collega Jeroen Vlug beschrijf in dit KIS-rapport, is dat een kunstmatig onderscheid dat in de praktijk niet werkt. Zonder islam zijn er immers geen moslims. Als mensen de Koran niet mogen lezen of bezitten – wat Wilders eerder zelfs strafbaar wilde maken – betekent dat dat moslims geen moslims meer kunnen zijn (zie dit artikel van Jan Jaap de Ruiter hierover). Zeggen dat je tegen de islam bent, maar niet tegen moslims, is dus onzin.
Geen religiekritiek, maar vooroordelen
Wat Wilders doet, is geen islamkritiek leveren, maar vooroordelen tegen moslims uiten. Een meetinstrument van Imhoff en Recker (2012) – dat we ook bespreken in het KIS-rapport – maakt een duidelijk onderscheid tussen vooroordelen ten aanzien van moslims enerzijds en kritiek op de islam als religie anderzijds. Volgens deze indeling gaat het bij het eerste om een negatieve houding tegenover alles wat voortkomt uit de islam of van moslims afkomstig is. Dat betekent onder meer dat islam en moslims worden gezien als één homogeen, niet-progressief blok; als per definitie gewelddadig, compleet ‘anders’, en als politieke ideologie in plaats van religie.
Kort gezegd: precies wat Wilders zei.
Het uiten van vooroordelen over een groep die in de minderheid is, blijft zelden zonder gevolgen
Dit is echter iets heel anders dan het bekritiseren van bepaalde religieuze praktijken. Denk bijvoorbeeld aan kritiek op de manier waarop sommige moslims omgaan met genderrollen, of aan kritiek op fundamentalistische groeperingen zoals de Taliban. Ook kritiek op specifieke religieuze ideeën of op het gebrek aan scheiding tussen religie en staat in bepaalde landen valt hieronder. Dat soort kritiek hoort bij een open publiek debat – maar daarvan was in het Jeugdjournaal geen sprake.
Daar ging het om het vrij mogen uiten van vooroordelen tegen moslims.
Een onderzoek van Soral en anderen bevestigde het onderscheid dat Imhoff en Recker maakten: in een Poolse studie onder niet-moslims bleek dat mensen die veel sociale media gebruiken, hate speech tegen moslims vaker gaan normaliseren. Zij ontwikkelen vaker vooroordelen tegen moslims, maar niet méér religiekritiek. Dat is namelijk iets totaal anders.
Vooroordelen leiden tot discriminatie
Het uiten van vooroordelen over een groep die letterlijk in de minderheid is, blijft zelden zonder gevolgen. Zoals ik eerder heb beschreven in dit dossier, komt discriminatie grotendeels voort uit sociale normen: wat we met z’n allen ‘normaal’ vinden. Die normen hebben een sterke invloed op gedrag in het algemeen (zie de review van Paluck en Tankard), maar ook op discriminatie in het bijzonder.
Door wél in te grijpen, wordt de sociale norm tegen discriminatie bewaakt
In een recente review wordt beschreven dat de norm tegen discriminatie verzwakt wanneer die steeds opnieuw wordt overschreden. Als Wilders – of wie dan ook – dus vrijuit vooroordelen mag uiten zonder dat dit wordt begrensd, verzwakt de maatschappelijke norm tegen discriminatie. Dat zagen we ook in een studie over Trumps eerste ambtstermijn: door zijn uitspraken werd het uiten van vooroordelen onder zijn aanhangers genormaliseerd, waardoor discriminatie in de VS toenam.
Hoe kan het anders?
Eigenlijk is het niet zo ingewikkeld. De makers van het Jeugdjournaal hadden kunnen reageren en duidelijk kunnen maken dat het niet oké is om moslims zo te behandelen. Door níét te reageren, leek het alsof wat er werd gezegd normaal was. Door juist wél in te grijpen, wordt de sociale norm tegen discriminatie bewaakt. Ingrijpen als omstander bij discriminatie is bovendien een bewezen effectieve manier om discriminatie te voorkomen (zie ook dit Movisie-rapport). Er waren voldoende omstanders aanwezig bij het Jeugdjournaal, maar niemand deed iets. Een pijnlijke situatie – vooral voor de kinderen die moslim zijn en zagen hoe zij werden ‘gebasht’, zonder dat iemand daar iets van zei.
Zoals slachtoffers van pesten en discriminatie vaak aangeven: het zwijgen van de omstanders is vaak nog pijnlijker dan de woorden van de dader.
Hanneke Felten is senior onderzoeker bij Movisie en Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS).