Dat er sprake is van afbraak wordt steeds duidelijker. Er zijn personeelstekorten en wachtlijsten in de zorg. Hierdoor wordt er steeds meer op onbetaalde mantelzorgers geleund, terwijl zorgbedrijven ondertussen miljoenen winst uitkeren. Huizen – koop of huur – zijn voor jonge mensen niet meer te betalen, terwijl de baas van een woningbedrijf in een Maserati van de zaak rijdt. Er zijn te weinig leraren en de kwaliteit van het onderwijs holt achteruit.
Als klap op de vuurpijl staat ook de democratie onder druk
Gemeenten moeten zodanig bezuinigen op sociale voorzieningen dat volgend jaar nú al een ‘ravijnjaar’ wordt genoemd. En als klap op de vuurpijl staat ook de democratie onder druk. Zo ligt er inmiddels bij de Eerste Kamer een wetsvoorstel om steun aan ongedocumenteerden strafbaar te stellen (hetgeen in strijd is met artikel 1 van de Grondwet die stelt dat allen die zich in Nederland bevinden recht hebben op gelijke behandeling).
Als nieuwste loot aan de stam is er een wetsvoorstel om de vrijheid van meningsuiting onder het mom van ‘terrorismeverheerlijking’ te beperken. Interessant detail: de reactietermijn is precies in de zomervakantie, jawel die periode waarin Nederlandse politici het aanvankelijk niet nodig vonden om terug te komen voor een spoeddebat over de verschrikkelijke noodtoestand in Gaza. Deze genocide wordt mede mogelijk gemaakt door Nederland, zei advocaat Liesbeth Zegveld begin dit jaar al.
Bizar en kenmerkend
Intussen zet de ‘klimaatverandering’ – wat nog een heel neutrale term is voor de catastrofe die zich inmiddels overal voltrekt – zich onverminderd voort, aangezwengeld door een industrie die van geen wijken weet. In een moeite door worden daarbij het milieu én al het leven vergiftigd: inmiddels heeft iedereen het giftige en vrijwel niet afbreekbare PFAS in het lichaam en zijn er microplastics gevonden in placenta’s.
De autoriteiten vinden steevast betogingen problematischer dan schendingen van de regels door bedrijven
Het is zowel bizar als kenmerkend voor deze tijd dat burgers inmiddels via vele petities en demonstraties de overheid moeten afdwingen om hen te beschermen en bedrijven te straffen die zich niet aan de wetgeving houden of zelfs binnen de wet schadelijke stoffen mogen gebruiken. De autoriteiten vinden daarbij steevast de betogingen problematischer dan de schendingen van de regels door de bedrijven en de gevolgen daarvan voor gezondheid en milieu.
Moedwillige slooppartij
Als je het nieuws over de Verenigde Staten volgt, zie je hoe de president met een botte bijl in democratische instituties en sociale voorzieningen hakt. Een dergelijke moedwillige slooppartij lijkt hier vooralsnog niet aan de orde, maar vergis je niet, het gebeurt hier misschien subtieler en niet door iedereen bewust zo gepland, maar evengoed zijn dezelfde krachten aan het werk.
Op ministeries vertrekken ambtenaren en daarmee verdwijnen jaren van kennis en kunde
Grote bedrijven onttrekken zich aan zowel democratie als verantwoordelijkheid en de politiek wordt gekenmerkt door onkunde en leegloop – zelfs de prestigieuze Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2025) wijdt hier een rapport aan. Op ministeries vertrekken ambtenaren die hun werk van jarenlang moeizaam gepolder in een klap door politici teniet gedaan zien. Met hun vertrek verdwijnen tevens jaren aan kennis en kunde. En dat ontstane gat kun je niet zomaar met een legertje uitzendkrachten opvullen.
Opkomst en ondergang van de verzorgingsstaat
Het geheel van collectieve arrangementen dat wij kennen als verzorgingsstaat, is ontstaan vanuit een groeiend besef van kwetsbaarheid en afhankelijkheid: kwetsbaarheid voor de tegenslag van anderen, schrijft de socioloog Abram de Swaan in zijn boek Zorg en de Staat (1988).
Maatregelen waren nodig om de elite te beschermen tegen bijvoorbeeld ziekten van armen
Dit besef ontstond zo’n anderhalve eeuw geleden, toen de elite en onderklasse steeds meer met elkaar te maken kregen. Er was, aldus De Swaan, sprake van zowel onderlinge afhankelijkheid als kwetsbaarheid, en maatregelen waren nodig om de elite te beschermen tegen bijvoorbeeld ziekten van armen ( de aanleg van bijvoorbeeld riolering ging epidemieën tegen) en om hen te blijven voorzien van bruikbare arbeidskrachten (via ziekenzorg en onderwijs).
Daarnaast gingen mensen, door toegenomen identificatie en emancipatie, rechten opeisen. De diverse collectieve voorzieningen die zo ontstonden, werden gaandeweg ondergebracht bij de overheid. Met name na de Tweede Wereldoorlog, in de periode van wederopbouw, groeide een infrastructuur van voorzieningen op het gebied van communicatie, onderwijs, woningbouw, zieken- en ouderenzorg en een vangnet voor armoede.
Het tovermiddel wordt gevonden: vermarkting
Vanaf de jaren tachtig klinkt steeds harder het geluid dat de verzorgingsstaat te duur wordt en niet langer houdbaar is. Het tovermiddel wordt gevonden: vermarkting. Vanuit de overtuiging dat ‘de markt’ automatisch, via concurrentie en aanbestedingen, zorgt voor de beste én voordeligste oplossing.
Dat werkte in eerste instantie ook: er kwam ruimte voor innovatie. Maar tegelijk kwamen collectieve voorzieningen onder de wet van het kapitalisme te vallen: wat voorheen diensten waren, werden nu meetbare producten. Er moest winst gemaakt worden voor de aandeelhouders en om het te winnen van de concurrentie moesten tegelijk de kosten zo laag mogelijk gehouden worden.
Zo is de patiënt gereduceerd tot een x-aantal minuten in een database-dossier
Dat betekende dat er zowel op kwaliteit als op arbeid zoveel mogelijk (net binnen de marges van de wet, of althans van de handhaving) beknibbeld moest worden – met personeelstekorten als gevolg. Op die manier werden langzaam maar zeker de voorzieningen van binnenuit uitgehold. Zo is de patiënt in de zorg gereduceerd tot een x-aantal minuten in een database-dossier en rijden bussen het liefst ‘tijdrovende’ passagiers met een handicap voorbij.
De vermarkting van collectieve arrangementen bleek uiteindelijk ook duur te zijn. Grote zorgondernemers bijvoorbeeld maken enorme winsten, maar deze gaan naar een kleine elite van aandeelhouders en bestuurders en komen niet langer de samenleving ten goede.
Ook het cement verdween
Er zijn bovendien gevolgen op terreinen waar je het niet meteen van verwacht. In haar boek Eigen planeet eerst (2025) geeft Roxane van Iperen een even diepgaande als heldere analyse van bovenstaande ontwikkelingen. Ze beschrijft hoe er een aparte ‘planeet’ is ontstaan van mondiale bedrijven die nauwelijks tot geen binding hebben met nationale wetgeving of democratische processen en voor wie zelfverrijking het enige doel is.
Ondertussen zijn burgers tot consumenten verworden
Ondertussen zijn burgers tot consumenten verworden. Van Iperen beschrijft wat daar het gevaar van is: als burger heb je gelijke rechten, maar als consument sta je tegenover elkaar. We zijn elkaars concurrent geworden, schreef ook ik in een van mijn eerdere columns.
Mensen worden zelf verantwoordelijk gehouden voor hun eigen succes en falen, wat onze verhouding tot onszelf, elkaar en tot collectieve arrangementen heeft veranderd (agressie tegenover ambtenaren, leerkrachten en zorgpersoneel). En wat bovendien leidde tot massale burn-outs en depressies en een verlies van empathie en solidariteit met het leed van anderen: hadden ze maar verstandiger keuzes moeten maken. In het rapport De Staat van het onderwijs 2025 wordt gepleit voor meer en betere lessen in burgerschap, maar waar de samenleving de voorwaarden daartoe stelselmatig ondergraaft, kan het onderwijs dat niet repareren.
Dat juist het grootkapitaal de democratie geperverteerd heeft, kunnen we amper bevatten
Zo verdween met de weder-afbraak tevens het cement uit de samenleving. De nu zo veel genoemde polarisatie is een reactie hierop: mensen hebben een behoefte om ergens bij te horen, om zich met een groep goed te voelen over zichzelf, en daar een verhaal bij te hebben.
Het wantrouwen richt zich op elkaar of op een groep zondebokken en niet op de vrijwel onzichtbare elite van steenrijke ondernemers. We hebben daar immers zelf voor gekozen? Dat juist het grootkapitaal de democratie geperverteerd heeft, kunnen we amper bevatten (lees ook hiervoor het boek van Van Iperen).
Wie beschermt mij nog?
Ondertussen gebeurt er veel te weinig om de klimaatcatastrofe te remmen en vindt de overheid dat ik zelf maar voorbereid moet zijn op een eventuele ramp. Maar waar moet ik me tegen beschermen? Tegen PFAS in de lucht en microplastics in het kraanwater? Tegen onzichtbare epidemieën? Tegen hitte en bosbranden of juist tegen overstromingen en onverwachte kou? Hoe moet ik dat doen?
We moeten ons een paar dagen zien te redden, vindt de overheid
We moeten ons een paar dagen zien te redden, vindt de overheid. Maar als de ramp groter is dan lokaal, op welke collectieve voorzieningen denkt de overheid dan zelf terug te kunnen vallen? Als er dan al iemand is die doortastend het land bestuurt: het voorbeeld van de coronapandemie en de staat van de huidige politiek stellen op dat vlak bepaald niet gerust.
Op wie kan ik dan nog rekenen? Helpen mijn buren mij of moet ik mijn voorraden juist beschermen, al dan niet met geweld? Zetten we samen de schouders eronder of wordt het chaos en gevecht? Ik weet het niet en de gedachte eraan bezorgt me rillingen.
We weten dat we groepsdieren zijn
En dat is het grootste drama: we zijn allemaal tegenover elkaar komen te staan en worden gewetenloos tegen elkaar uitgespeeld. Vanuit onze menselijke geschiedenis van honderdduizenden jaren weten we dat we groepsdieren zijn, dat we ons goed voelen bij vertrouwen, kameraadschappelijkheid, saamhorigheid en solidariteit. En dat de ondergraving daarvan zorgt voor angst en ziekte.
Dat er nog mensen zijn die opstaan voor het algemene belang en tegen onrecht is hoopgevend
Maar juist onze menselijkheid kan ons redden: het diepe besef dat we snakken naar solidariteit en rechtvaardigheid. Dat er nog steeds mensen zijn die opstaan voor het algemene belang en tegen onrecht, ver weg of dichtbij, is hoopgevend. Ik denk dat de komende verkiezingen dan ook daar om zullen moéten draaien.
Ook voor elite is er geen planeet B
Maar hoe die verkiezingen ook zullen verlopen, uiteindelijk zal de elite ondervinden dat de kwetsbaarheid van de samenleving eveneens voor hen geldt. Als de klimaatrampen ook hun idyllische eilanden bereiken, als onrust en ziekte het land overgenomen hebben en er geen werknemers meer zijn voor hun bedrijven, als de wereldeconomie instort en hun miljarden verdampen, als hun kinderen ook met kanker geboren worden en ze ontdekken dat ze zelf de specialisten hebben wegbezuinigd, zullen ze eindelijk beseffen dat er geen planeet B is.
Daarbij denk ik aan het (naar verluidt) Inheems Amerikaanse gezegde: ‘Als de laatste boom is omgehakt, de laatste vis is opgegeten en de laatste beek is vergiftigd, zul je beseffen dat je geld niet kunt eten.’
Mieke van Stigt is socioloog en pedagoog.