Wat kinderen echt nodig hebben in tijdelijke opvang

Opvangplekken voor kwetsbare gezinnen zijn vooral ontworpen als nood-woon-oplossing vanuit het perspectief van volwassenen, met weinig erkenning voor de behoeften van kinderen. Onderzoeker Elise Peters laat zien hoe deze plekken kindvriendelijker gemaakt kunnen worden.

Een opvangplek is bedoeld als tussenstop, tijdelijk, veilig, functioneel. Maar voor duizenden kinderen in Nederland is het veel meer dan dat: het is hun dagelijks leven. Ze zijn er thuis, maken er herinneringen, vinden er vrienden, ontwikkelen zich, groeien er op. Wat leren we als we echt luisteren naar wat zij nodig hebben van een opvangplek?

Wij vroegen kinderen om hun favoriete plek te laten zien

Wij vroegen kinderen (4 tot 2 jaar) in vier opvanglocaties voor gezinnen (voor gezinnen na huiselijk geweld, dakloze gezinnen en asielzoekers) om hun favoriete plek te laten zien, te fotograferen en uit te leggen waarom die plek zo belangrijk voor hen was (Peters, Teerds, & Van den Bogerd, 2025).

Wat bleek? Hun verhalen geven niet alleen inzicht in de kinderbeleving, maar leggen ook fundamentele kansen bloot voor beter ontwerp en gebruik van opvangplekken.

Ze claimen eigen speelplekken

Ik speel hier met mijn vriend.

De kinderen kozen massaal voor plekken waar ze met andere kinderen konden spelen. Geen enkel kind koos de eigen kamer – die bleek te klein, te saai, of verboden terrein voor vriendjes – maar juist de gangen, trappenhuizen, tuinen en zelfs parkeerplaatsen waren hun favorieten.

Kinderen zoeken vooral naar plekken voor fysiek spel, zoals tikkertje, tafeltennis, voetballen

Wat opvalt is dat kinderen vooral zoeken naar plekken voor fysiek spel, zoals tikkertje, tafeltennis, voetballen. Dit zijn spelvormen met duidelijke regels en weinig onderhandelingen, wat wel begrijpelijk is voor kinderen die voortdurend nieuwe speelmaatjes moeten vinden. Een spel met vaste regels is dan makkelijker te spelen.

De foto’s laten tegelijkertijd zien hoe moeilijk kinderen het vinden om daar goed de ruimte voor te vinden. Veel speelplekken claimden kinderen zelf, vaak in ruimtes die daar eigenlijk niet voor bedoeld zijn zoals de keuken of de gang – en waar ze regelmatig weer worden weggestuurd en hun speelmaterialen worden opgeruimd omdat de ruimtes daar niet voor bedoeld zijn.

Vooral nabijheid ouders telt

Voor kinderen in opvangorganisaties is veiligheid uiteraard prioriteit. Maar de kinderen gaven aan dat hun gevoel van veiligheid niet alleen bepaald werd door sloten en toezicht. Wat voor hen telt, is nabijheid van ouders, overzichtelijke ruimtes en een zekere voorspelbaarheid.

Ze zochten plekken waar ze hun ouders dichtbij wisten

Ze zochten plekken waar mensen van buiten niet zomaar zicht op hadden, waar ze ongestoord konden spelen, maar waar ze wél hun ouders dichtbij wisten. Dat maakt dat de kinderen vaak kozen voor speelplekken vlakbij de kamer van hun ouders of met uitzicht op hun ouders.

Sommige favoriete plekken lagen letterlijk direct buiten de ouderlijke kamer. Voetballen op de gang. Tikkertje voor de deur. Op deze plekken konden kinderen ‘hun eigen plek’ hebben, zonder hun veilige basis te verliezen.

Gevoelig voor sfeer

Als het druk is in de keuken ga ik hierheen lekker zitten en naar buiten kijken.

Hoewel veel favoriete plekken er op de foto’s eenvoudig en kaal uitzagen, spraken kinderen over sfeer, rust en schoonheid. Een meisje beschreef hoe ze geniet van het uitzicht in een stoel bij het raam, uitkijkend op de tuin. Een jongen vertelde dat hij de ruimte zo mooi vond, omdat de muren in zulke mooie kleuren geverfd waren.

De foto’s toonden vaak sobere, generieke ruimtes – grijze muren, lege fotolijsten, standaard plastic meubels

Wat deze plekken gemeen hadden: ze boden kinderen een esthetische ervaring met licht, kleur, natuur en warmte. Opvallend genoeg waren deze elementen zelden bewust ontworpen. De foto’s die de kinderen maakten toonden vaak sobere, generieke ruimtes – grijze muren, lege fotolijsten, standaard plastic meubels. Toch wisten kinderen daar betekenis aan te geven.

Ik voel me hier goed. Het is rustig hier en dat vind ik fijn. In de opvang is het heel druk.

Ze maken van een kale hoek hun schuilplek, van een lege tuin een herinneringsplek. Hun verhalen tonen hoe gevoelig ze zijn voor sfeer en hoe hard ze verlangen naar plekken met zachtheid en schoonheid.

Geen simpele ‘checklist-opdracht’

Kinderen zoeken plekken om anderen te ontmoeten, maar willen heel dicht bij hun ouders blijven. Ze zoeken naar fysiek en actief spel, maar hebben ook tegelijk behoefte aan rust en voorspelbaarheid. Ze verlangen naar persoonlijkheid en warmte in een plek die generiek en tijdelijk is.

Ze zoeken nabijheid én zelfstandigheid, overzicht én geborgenheid

Ze zoeken nabijheid én zelfstandigheid, overzicht én geborgenheid. Dit maakt het ontwerpen van kindvriendelijke opvang geen simpele ‘checklist-opdracht’, maar een uitnodiging tot zorgvuldige afweging.

Spanningen vormen kans

De kinderen laten zien dat ze betekenis geven aan plekken, zelfs in sobere omstandigheden. Dat is bemoedigend. Voor opvangorganisaties, architecten, beleidsmakers en begeleiders is dit ook een duidelijke uitdaging: hoe maken ze opvangplekken kindvriendelijk?

Dit is geen kwestie van ‘meer speelgoed’ of ‘een speelkamer erbij’

De resultaten van onze studie laten zien dat dit geen kwestie is van ‘meer speelgoed’ of ‘een speelkamer erbij’, maar van het erkennen van kinderen als volwaardige bewoners met hun eigen ruimtelijke behoeften.

De belangrijkste les? Kindvriendelijke opvang vraagt om het durven omgaan met spanningen: tussen beheersbaarheid en beweegruimte, tussen het generieke karakter van een tijdelijke plek en de behoefte aan iets persoonlijks, tussen veiligheid en autonomie, tussen overzicht en gezelligheid, en tussen nabijheid en afstand.

Deze spanningen lijken tegenstrijdig, maar vormen eveneens juist een kans: ze kunnen fungeren als leidraad voor doordacht ontwerp, zorgvuldig gebruik en kindgerichte organisatie van opvangplekken.

Elise Peters is onderzoeker bij het lectoraat Urban Care and Education van hogeschool Windesheim en hoofddocent van de master Duurzaam Onderwijs bij hogeschool Leiden. Zij deed de studie waar dit artikel op is gebaseerd samen met Hans Teerds (instituut voor de geschiedenis en theorie en van architectuur, ETH Zurich) en Nicole van den Bogerd (klinische, neuro- en ontwikkelingspsychologie, VU Amsterdam).

 

Foto: Nanda Sluijsmans (Flickr Creative Commons)